Leerdoelenoverzicht mbo V&V
Helder inzicht in leerdoelen voor mbo verpleegkunde en verzorging
Welke BSL-module sluit aan bij welk onderdeel van het mbo-curriculum verpleegkunde en verzorging? Met dit leerdoelenoverzicht krijg je in één oogopslag duidelijkheid. Je ziet precies hoe leerdoelen zijn gekoppeld aan de BSL- modules en hoe deze aansluiten op de verschillende onderdelen van het curriculum.
B1-K1-W3 Voert zorginterventies en/of begeleidingsactiviteiten uit (zorgverlener)
B1-K1-W4 Voert verpleegtechnische handelingen uit (organisator)
Titel module | Inleiding thema/ doel | Leerdoelen |
| Vitale functies | De vitale functies zijn de belangrijkste functies in het lichaam. Ze zorgen ervoor dat iemand in leven blijft. De vitale functies bestaan uit de ademhaling, hartslag, bloeddruk, lichaamstemperatuur en het bewustzijn. In deze module leer je op welke manier de vitale functies belangrijk zijn voor het lichaam. Ook leer je hoe je de vitale functies observeert en meet, bij wie je dit doet en waar je op moet letten. |
|
| Injecteren insuline | Insuline wordt toegediend bij zorgvragers met diabetes mellitus. Insuline kan worden toegediend door de zorgvrager zelf, maar het kan ook een taak zijn voor jou als zorgverlener. In deze module leer je waarom injecteren van insuline en het meten van de bloedglucosewaarde belangrijk is. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Zwachtelen | Om opgehoopt vocht (oedeem) in een arm of been af te voeren krijgt een zorgvrager compressietherapie. Dat gebeurt onder andere door middel van zwachtelen. In deze module leer je op een goede en veilige manier benen en armen zwachtelen. |
|
| Verzorgen, rode, gele en zwarte wornd | Als de huid niet intact is, spreek je van een wond. Het lichaam geneest de wond en jij moet hiervoor de beste omstandigheden creëren met de juiste wondzorg. Verschillende soorten wonden vragen om verschillende verzorging. Foutieve wondverzorging kan leiden tot complicaties voor de zorgvrager, zoals een infectie. In deze module leer je waarom passende verzorging van wonden belangrijk is. Ook leer je hoe je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Stomazorg | Een stoma is een kunstmatige uitgang in het menselijk lichaam. Een stoma wordt chirurgisch aangelegd en verbindt een lichaamsholte met de buitenwereld. In deze module staat de zorg voor een stoma voor ontlasting en urine centraal. |
|
| Bloedafname via venapunctie | Bloed kan op twee manieren worden afgenomen: direct vanuit de ader of via een infuus. Bloed afnemen rechtstreeks vanuit de ader, oftewel via venapunctie, heeft de voorkeur. In deze module leer je op een veilige manier bloed af te nemen direct vanuit een ader via een gesloten systeem. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Infusie: subcutaan infuus | Subcutane infusie is het toedienen van medicatie of vocht (hypodermoclyse) in het onderhuidse bindweefsel bij zorgvragers. Het doel is vaak pijnbestrijding, maar ook andere medicijnen of vocht kunnen via een subcutaan infuus worden ingebracht. In deze module leer je hoe je op een juiste en veilige manier een subcutane canule inbrengt. Ook leer je hoe je hypodermoclyse uitvoert. |
|
| Infusie: centraal veneuze katheter | Met een centraal veneuze katheter dien je vloeistoffen toe in een groot bloedvat van een zorgvrager. Hiermee kun je medicatie, totale parenterale voeding en bloedproducten toedienen. Het wordt ook gebruikt voor het afnemen van bloed. In deze module leer je op welke plekken een CVK ingebracht kan worden en welke soorten centraal veneuze katheters er zijn. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Infusie: bloed toedienen | Bloedtransfusie is het overbrengen van bloed van iemand anders in de ader van een zorgvrager. Er bestaan verschillende soorten bloedproducten die je kunt toedienen. In deze module leer je hoe je bloed toedient via een perifeer of centraal infuus. Ook leer je bij welke zorgvragers je bloed toedient en waar je op moet letten. |
|
| Infusie: medicatie klaarmaken en toedienen | Intraveneuze medicatie is alle medicatie die je via de bloedbaan toedient aan de zorgvrager. Vaak moet je deze medicatie eerst nog klaarmaken voordat je het kunt toedienen. In deze module leer je hoe je op een juiste en veilige manier intraveneuze medicatie klaarmaakt en toedient. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden. |
|
| Wondzorg: spoelen, drains en hechtingen | Om de genezing te bevorderen moeten sommige wonden eerst gespoeld worden, voordat ze gesloten worden met hechtingen en een eventuele wonddrain. Een wonddrain zit zelf ook vaak vast met een hechting, die je op een later moment moet verwijderen. Net als de hechtingen zelf, zodra een wond voldoende genezen is. Deze handelingen hangen soms met elkaar samen, maar dat hoeft niet. Je kunt ook situaties tegenkomen waarbij je slechts één van deze handelingen moet uitvoeren. In deze module leer je waarom sommige wonden gespoeld moeten worden en waarom passende verzorging en verwijdering van wonddrains en hechtingen belangrijk is. Ook leer je hoe je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Katheteriseren: suprapubische verblijfskatheter en blaasspoelen | De suprapubische verblijfskatheter is een katheter voor de afvoer van urine die wordt ingebracht via de buikwand. Als zorgverlener moet jij deze ‘buikkatheter’ kunnen verzorgen en periodiek verwisselen. Daarnaast moet je soms de blaas van een zorgvrager spoelen via de verblijfskatheter. In deze module leer je hoe je op een juiste en veilige manier een suprapubische verblijfskatheter verzorgt en verwisselt en hoe je iemands blaas spoelt. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden. |
|
| Tracheacanule en tracheostoma verzorgen | In deze module staat het verzorgen van een tracheacanule en tracheostoma centraal. Bij een tracheacanule of tracheostoma wordt een opening in de luchtpijp gemaakt, waardoor de zorgvrager kan ademen. Deze opening moet regelmatig gereinigd en verzorgd worden. Het is soms nodig om de mond- en keelholte of de tracheacanule uit te zuigen om de luchtweg vrij te maken van slijm. Het uitzuigen is opgenomen in de module Uitzuigen van een tracheacanule of tracheostoma. In de module Zuurstof toedienen wordt uitgelegd hoe je zuurstof toedient via een tracheacanule. |
|
| Injecteren | Injecteren is het inspuiten van medicatie in het lichaam met een injectiespuit en -naald. Er zijn verschillende methoden voor injecteren: in de huid, in het onderhuids bindweefsel, in een spier of in een bloedvat. In deze module leer je meer over injecteren in het onderhuids bindweefsel (subcutaan) en in een spier (intramusculair injecteren). Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden. |
|
| Katheteriseren: blaas-katheter man | Een blaaskatheter is een flexibele slang die je inbrengt in de blaas. Door een blaaskatheter te plaatsen kan urine goed uit de blaas stromen. Een blaaskatheter kun je ook gebruiken om vloeistoffen in te brengen. Deze module gaat over de blaaskatheterisatie van een man. Je leert hoe het urinestelsel van een man in elkaar zit en in welke gevallen er wordt gekozen voor een blaaskatheter. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden. |
|
| Katheteriseren: blaas-katheter vrouw | Een blaaskatheter is een flexibele slang die je inbrengt in de blaas. Door een blaaskatheter te plaatsen kan urine goed uit de blaas stromen. Een blaaskatheter kun je ook gebruiken om vloeistoffen in te brengen. Deze module gaat over de blaaskatheterisatie van een vrouw. Je leert hoe het urinestelsel van een vrouw in elkaar zit en in welke gevallen er wordt gekozen voor een blaaskatheter. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden. |
|
| Sondevoeding: neus-maagsonde | Wanneer een zorgvrager te weinig voedingsstoffen binnenkrijgt, krijgt hij vaak sondevoeding. Bijvoorbeeld omdat de zorgvrager niet (voldoende) kan of mag eten door ziekte, behandeling of een operatie. De voeding wordt dan toegediend via een sonde. Deze module gaat over de neus-maagsonde: een dun, buigzaam slangetje gekoppeld aan een spuit of voedingspomp. |
|
| Sondevoeding: sonde door de buikwand | Wanneer een zorgvrager te weinig voedingsstoffen binnenkrijgt, krijgt hij vaak sondevoeding. Is er langer dan 6 weken sondevoeding nodig? Dan wordt vaak een sonde door de buikwand ingebracht. In deze module leer je hoe je een sonde door de buikwand verzorgt, hoe je een sonde door de buikwand verwisselt of verwijdert en hoe je sondevoeding toedient via een sonde door de buikwand. |
|
| Uitzuigen | De luchtwegen produceren slijm om afvalstoffen af te voeren. Als dit slijm wordt opgehoest, noem je het sputum. Als sputum in de longen terechtkomt, dan kan het de ademhaling belemmeren of een longontsteking veroorzaken. Bij zorgvragers die de longen niet zelf schoon kunnen houden, moet je de luchtwegen uitzuigen. In deze module leer je hoe je uitzuigt via de neus, mond of tracheacanule. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden. |
|
| Zuurstof toedienen | In deze module leer je hoe je zuurstof toedient. Dat kan via de neus en mond, of via een tracheacanule of tracheostoma. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.Een tekort aan zuurstof in het bloed leidt tot zuurstoftekort in de weefsels, zoals de hersenen en het hart. Dat kan weer andere klachten veroorzaken. |
|
| Thoraxdrain | Als er lucht of vocht in de pleuraholte zit, werken de longen niet goed. Als gevolg daarvan krijgt het lichaam niet genoeg zuurstof. Een thoraxdrain verwijdert de lucht of het vocht. In deze module leer je hoe een thoraxdrain werkt, hoe je de insteekopening verzorgt en hoe je het drainagesysteem verwisselt. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden. |
|
B1-K1-W3 Voert zorginterventies en/of begeleidingsactiviteiten uit (zorgverlener)
B1-K1-W3 Voert zorginterventies en/of begeleidingsactiviteiten uit (organisator)
Titel module | Inleiding thema/ doel | Leerdoelen |
| Mondverzorging | Een mond moet iedere dag schoongemaakt worden. Als je dat goed doet, blijft de mond gezond. Dit heeft ook een positief effect op de verdere gezondheid. In deze module leer je wat belangrijk is bij mondverzorging. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Toiletgang | Ieder mens moet af en toe naar het toilet. Soms kan iemand dit niet meer zelfstandig of verliest iemand tussentijds urine of ontlasting. In deze module leer je welke hulp kunt je bieden bij de toiletgang. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Steunkousen | Voor zorgvragers die last hebben van vocht in hun benen kunnen steunkousen helpen. Steunkousen zijn ontworpen om zwellingen te verminderen en de bloedcirculatie te verbeteren. Een steunkous heet eigenlijk een therapeutisch elastische kous (TEK). In deze module leer je alles over therapeutisch elastische kousen voor het been. |
|
| Wassen en bed opmaken | Iedereen wil zich regelmatig kunnen wassen, douchen of baden om zich schoon en fris te voelen. Ook een fris opgemaakt bed helpt daarbij. Maar sommige zorgvragers kunnen dit tijdelijk of permanent niet meer zelf doen. Daarom geef jij ondersteuning. In deze module leer je waarom wassen en bed opmaken belangrijk is. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Hygiëne en infectiepreventie | Moet je je handen wassen of desinfecteren? Doe je handschoenen aan of niet? En draag je ook een overschort en mondmasker? Dit zijn beslissingen die invloed hebben op de hygiëne. In de gezondheidszorg is het extra belangrijk dat je hygiënisch werkt. Zo voorkom je de verspreiding van ziekteverwekkers, zoals virussen en bacteriën. In deze module leer je waarom hygiëne en infectiepreventie belangrijk is en waar je op moet letten. |
|
| Verplaatsingen | Zorgvragers die minder mobiel zijn hebben hulp nodig bij het verplaatsen binnen en buiten het bed. Het is belangrijk dat je als zorgverlener aandacht hebt voor je eigen houding en beweging bij het ondersteunen van de zorgvrager. Je kunt verplaatsingen doen met of zonder tillift. Er is een andere module over het gebruik van tilliften. In deze module leer je bij wie je verplaatsingen zonder tillift uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Kleden en uiterlijke verzorging | Uiterlijke verzorging is voor veel mensen belangrijk om zich schoon, fris en fit te voelen. Denk aan haren wassen, scheren of nagels knippen. Het lijken vanzelfsprekende handelingen, maar sommige mensen kunnen dat deels of helemaal niet (meer) zelf. Met kleding draagt iemand uit wie hij is. Mooie en goed zittende kleding draagt bij aan het zelfvertrouwen. In deze module leer je waarom aankleden en uiterlijke verzorging belangrijk is. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Omgaan met tilliften | Bij het verplaatsen van een zorgvrager kun je een tillift gebruiken. Een verplaatsing noem je ook wel een transfer. Als zorgverlener moet je zowel bevoegd als bekwaam zijn om met de tillift te mogen werken. In deze module leer je hoe je omgaat met een passieve en met een actieve tillift. Ook leer je bij welke zorgvragers je deze liften gebruikt en waar je op moet letten. |
|
| Medicijnen toedienen | Als zorgverlener dien je regelmatig medicijnen toe, of help je zorgvragers bij het innemen van medicatie. Het is jouw taak om ervoor te zorgen dat de zorgvrager het juiste medicijn krijgt op het juiste tijdstip, in de juiste hoeveelheid en dosering en op de juiste wijze toegediend. Fouten in de toediening van medicijnen kunnen tot complicaties leiden. In deze module leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten. |
|
| Werkprocesoverstijgend | In dit thema leer je de bouw en werking van het menselijk lichaam kennen. Je krijgt inzicht in verschillende orgaanstelsels en hoe deze samenwerken. Deze kennis helpt je om veranderingen in de gezondheid van zorgvragers te herkennen en hier professioneel op te handelen. |
Titel module |
Inleiding thema/ doel |
Leerdoelen |
| Hart en bloedvaten | Deze reeks microlearnings over bloedsomloop bestaat uit drie onderdelen: bloedsomloop, hart en bloedvaten. Het biedt een overzicht van de anatomie en fysiologie van het hart en de bloedvaten. Je leert hoe het bloed door het lichaam stroomt, hoe het hart werkt en hoe het slagaderstelsel in elkaar zit. |
|
| Ademhalingsstelsel | Vanaf de neus gaat lucht naar binnen, om via de keelholte en luchtpijn naar de longen te komen. Op die manier haal je adem. In vier microlearnings leer je hierover: het ademhalingsstelsel, de luchtwegen, longen en de ademhaling zelf. De hersenen regelen automatisch het ademcentrum. Het lichaam past de ademhaling aan wanneer iemand rust, beweegt of ziek is. |
|
| Spijsverteringsstelsel | Alles wat je eet of drinkt gaat door een heel stelsel dat ervoor zorgt dat je lichaam de energie en bouwstoffen krijgt die het nodig heeft. Dat spijsverteringsstelsel (tractus digestivus) is het hele traject van mond tot endeldarm. De belangrijkste taak van de tractus digestivus is: voedsel zo klein maken dat je lichaam het via de darmwand in het bloed kan opnemen. |
|
| Zenuwstelsel | Het zenuwstelsel stuurt alle activiteiten aan in je lichaam. Het zorgt ervoor dat je kunt bewegen, voelen, denken en reageren op wat er om je heen gebeurt. Of je nu bewust je hand optilt, automatisch ademhaalt of snel reageert op pijn: je zenuwstelsel regelt het allemaal. Het ontvangt prikkels uit je omgeving via je zintuigen, verwerkt die informatie in je hersenen en ruggenmerg, en stuurt vervolgens signalen naar je spieren en organen. Zo blijf je niet alleen in beweging, maar worden ook vitale processen zoals je hartslag en ademhaling automatisch geregeld. |
|
| Bloed en lymfe | Bloed en lymfe houden je lichaam draaiende. Ze brengen zuurstof en voedingsstoffen naar cellen, voeren afval af en beschermen tegen ziekteverwekkers. Zonder dit systeem kunnen je cellen niet werken en raakt je lichaam uit balans. |
|
| Huid | De huid is een actief orgaan dat je hele lichaam beschermt, laat voelen en helpt om gezond te blijven. Elke dag verwerkt je huid duizenden prikkels uit je omgeving en houdt hij je temperatuur stabiel. Van zonlicht tot kou, van aanraking tot bacteriën: de huid reageert, herstelt en past zich voortdurend aan. |
|
| Urinewegen | Het urinestelsel is onmisbaar voor een gezond lichaam. Het is een systeem waarin de nieren en urinewegen samen zorgen voor de afvoer van overtollige en schadelijke stoffen. Het resultaat ken je: urine. Daarin zit water en een groot aantal opgeloste stoffen. |
|
| Skelet | Het skelet bestaat uit botten: beenweefsel en kraakbeen, Het is verdeeld in drie hoofdonderdelen: schedel, romp en ledematen. Die hoofdonderdelen hebben zelf ook weer verschillende soorten botten. Het skelet geeft vorm aan het lichaam, beschermt organen en maakt beweging mogelijk. |
|
| Hormoonstelsel | De stofwisseling (metabolisme) bepaalt hoe je lichaam energie aanmaakt, opslaat en gebruikt. Hormonen uit verschillende klieren sturen dit proces aan. Zo bepaalt de schildklier het tempo van de verbranding, terwijl de alvleesklier de bloedsuikerspiegel constant houdt. Bij stress zorgen de bijnieren voor een snelle energieboost. Zo houden deze hormoonklieren de energiehuishouding continu in balans, afgestemd op wat het lichaam op dat moment nodig heeft. |
|
| Spierstelsel | Als je je lichaam beweegt, werken je botten en spieren samen. Er zijn niet alleen skeletspieren, er is een heel stelsel aan spieren die ervoor zorgen dat je beweegt, zit of staat. |
|
| Zintuigen | Zintuigen zijn organen die het lichaam informatie geven over de omgeving en over je lichaam. Elk zintuig reageert op een specifieke prikkel, zoals licht, geluid, smaak. Deze prikkels gaan vervolgens via zenuwen naar de hersenen. En daar krijgt die informatie betekenis: je ziet, hoort, proeft of voelt iets. |
|
| Geslachtsorganen | Het menselijk lichaam heeft een voortplantingssysteem dat geslachtscellen maakt, bevruchting en zwangerschap mogelijk maakt. Bij mannen gaat het vooral om zaadcellen. Bij vrouwen gaat het om eicellen en zwangerschap. Geslachtsorganen heten daarom ook wel voortplantingsorganen. |
|
B1-K1-W5 Handelt in onvoorziene situaties en/of acute situaties (organisator)
Titel module | doel | leerdoelen | |
| Gedrag en crisis | In dit thema leert de student acute situaties herkennen, de ernst inschatten en adequaat handelen volgens protocollen om veiligheid te waarborgen. Daarnaast ontwikkelt de student het vermogen om dit handelen te analyseren, te onderbouwen en te verbeteren voor toekomstige situaties. | Leerdoelen VIG en VP
| VP:
|
B1-K1-W5 Handelt in onvoorziene situaties en/of acute situaties (organisator)
B1-K3-W2 Evalueert de werkzaamheden en ontwikkelt zichzelf als professional (reflectieve professional )
B1-K3-W3 Draagt bij aan een sociaal en fysiek veilige werkomgeving (professional en kwaliteitsbevorderaar)
Titel module | Doel | Leerdoelen | Verdieping |
| EHBO | In deze lesmodule leer je de belangrijkste basis voor het verlenen van eerste hulp tijdens je werk als zorgmedewerker. Of daarbuiten natuurlijk. |
| |
| Basic Life Support | In deze e-learning leer je hoe je de reanimatiehandelingen moet uitvoeren. |
| |
| Wet zorg en dwang in de praktijk | Wat betekent de Wet zorg en dwang voor helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen werkzaam in de psychogeriatrie |
| |
| Wet zorg en dwang bij mensen met NAH | Wat betekent de Wet zorg en dwang voor helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen die werken met mensen met niet-aangeboren hersenletsel? |
| |
| Basiscursus medische terminologie | Deze Basiscursus medische terminologie geeft je inzicht in de opbouw van de medische termen. In ongeveer 90 minuten leer je over woordopbouw en woorddelen, ontleden van medische termen, hoe je medische woorden uitspreekt en je maakt kennis met termen over locatie en beweging. | Deze cursus behandelt 5 onderwerpen. Elk onderwerp kun je los volgen. Dit helpt je om er regelmatig mee bezig te zijn. – Woordopbouw – Voor- en achtervoegsels – Locatie en beweging – Schrijfwijze en uitspraak – Zoektips voor betrouwbare resultaten | |
| Gezonde lijf/ gezonde leefstijl | In deze module staat het bevorderen van een gezonde leefstijl centraal, waarbij je inzicht krijgt in de belangrijkste leefstijlfactoren en hun invloed op de gezondheid van de zorgvrager. Je leert hoe je samen met de zorgvrager en diens netwerk leefstijl bespreekbaar maakt, passende adviezen geeft en met behulp van motiverende gespreksvaardigheden – zoals de 5-A’s – ondersteunt bij gedragsverandering. |
| |
| Sociale problematiek en gezondheidsproblemen | In deze module staat het bevorderen van een gezonde leefstijl centraal, waarbij je inzicht krijgt in de belangrijkste leefstijlfactoren en hun invloed op de gezondheid van de zorgvrager. Je leert hoe je samen met de zorgvrager en diens netwerk leefstijl bespreekbaar maakt, passende adviezen geeft en met behulp van motiverende gespreksvaardigheden – zoals de 5-A’s – ondersteunt bij gedragsverandering. Voor mbo-verpleegkundigen (niveau 4) ligt de nadruk op het integraal benaderen van gezondheid (somatiek, psyche en sociaal domein) en het verbinden van zorg en welzijn, bijvoorbeeld door afstemming met het wijkteam en het voeren van casusregie. De Verzorgende-IG heeft hierin een signalerende rol: sociale problematiek wordt vooral in het dagelijks contact herkend en vervolgens overgedragen aan de verpleegkundige of andere betrokken disciplines. |
| Verdieping niveau 4 De mbo-verpleegkundige heeft meer rol in het verbinden van zorg en sociaal domein (bijv. overleg met wijkteam, casusregie) en in het integraal kijken naar somatiek-psyche-sociaal; de Verzorgende-IG signaleert sociale problemen vooral in het dagelijks contact en draagt deze over aan de verpleegkundige of andere disciplines |
B1-K3-W1 Draagt bij aan het innoveren van zorg (professional en bekwaamheidsbevorderaar)
B1-K3-W2 Evalueert de werkzaamheden en ontwikkelt zichzelf als professional (reflectieve professional )
P2-K1-W3 Coördineerten optimaliseert de zorgverlening (professional en EBP-professional)
Titel module | Doel | Leerdoelen |
| Innovatie van zorg | In deze module leert de student (zorg)technologische innovaties en hulpmiddelen te verkennen, te beoordelen en doelgericht in te zetten binnen de praktijk. Daarnaast ontwikkelt de student het vermogen om innovaties onderbouwd te kiezen en bij te dragen aan implementatie, passend binnen ethische kaders, kwaliteitseisen en de visie van de organisatie. |
|
| Evalueren en professionele ontwikkeling | In deze module leert de student het eigen werk en de kwaliteit van zorg te controleren, risico’s te herkennen en verbeteringen voor te stellen volgens afspraken en regels. Daarnaast leert de student te reflecteren op het eigen handelen, feedback te gebruiken en te werken aan de eigen ontwikkeling als zorgprofessional. |
|
| Kwaliteit, veiligheid en professionaliteit | In deze module leert de student te werken volgens protocollen, richtlijnen en wet- en regelgeving en het belang hiervan voor veilige en verantwoorde zorg te begrijpen. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om risico’s te signaleren, hierop te handelen en actief bij te dragen aan kwaliteitsverbetering binnen de organisatie. |
|
| Coordinatie en kwaliteitszorg | In deze module leert de student zorgverlening te organiseren en coördineren, zodat continuïteit, kwaliteit en veiligheid gewaarborgd zijn binnen de verpleegkundige praktijk. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om samen te werken, zorgprocessen te verbeteren en keuzes te onderbouwen met richtlijnen, wetgeving en evidence-based practice. | VP-module
|
In dit thema maakt de student kennis met een breed scala aan ziektebeelden, variërend van acute en chronische aandoeningen tot lichamelijke en psychische problematiek. De student leert de belangrijkste kenmerken, oorzaken en gevolgen van deze aandoeningen herkennen en begrijpen. Daarnaast wordt inzicht ontwikkeld in de samenhang tussen ziektebeelden en de impact op het dagelijks functioneren en de zorgverlening.
| Acuut coronair syndroom |
| Anemie |
| Astma en COPD |
| Botbreuken |
| Chronische nierinsufficientie |
| CVA en TIA |
| Delier |
| Dementie |
| Depressie |
| Diabetes mellitus |
| Epilepsie |
| Hartfalen |
| Hartritmestoornissen |
| Huidaandoeningen |
| Kanker |
| Luchtweginfecties |
| Multiple sclerose |
| Obesitas |
| Oogaandoeningen |
| Ooraandoeningen |
| Osteoperose |
| Reumatische aandoeningen |
| Schildklieraandoeningen |
| Urineweginfecties |
| Veneuze trombose en longembolie |
| Verslavingsproblematiek |
| Ziekte van Crohn en Colitis ulcerosa |
| Ziekte van Parkinson |
werkprocesoverstijgend B1-K1,K2,K3 en P2-K1-W1 Stelt een verpleegkundige diagnose (zorgverlener)
Titel module | Doel | Leerdoelen |
| Klinisch redeneren en EBP | In deze module leert de student klinisch redeneren binnen het verpleegkundig proces en op basis daarvan passende keuzes te maken in de zorg. Daarnaast maakt de student kennis met Evidence Based Practice en leert de student zorg te onderbouwen met betrouwbare bronnen, professionele expertise en de wensen van de zorgvrager. |
EBP
|
| Anamnese | In deze module leert de student een verpleegkundige anamnese afnemen en systematisch gegevens verzamelen over lichamelijke, psychische en sociale aspecten van de zorgvrager. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in communicatie, signalering van risico’s en het gestructureerd vastleggen van gegevens, met aandacht voor diversiteit en mogelijke acute situaties. |
|
| Verzorgend redeneren | In deze module leert de student op niveau 3 (verzorgende) zorgindicaties begrijpen en toepassen in het dagelijks handelen. De student leert een zorgplan lezen, uitvoeren en bijstellen, en maakt gebruik van redeneerhulpen en risicosignalering om passende en verantwoorde zorg te bieden. | Leerdoelen:
Verdieping: Alarmsymptomen herkennen die wijzen op acute situaties en beslisingen nemen. |
| Verpleegkundige diagnose en PES | In deze module leert de student verpleegkundige diagnoses formuleren met behulp van de PES-structuur (probleem, etiologie en symptomen). Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het analyseren van zorgsituaties om het kernprobleem, de oorzaken en de bijbehorende symptomen helder in kaart te brengen. |
|
| Alarmsymptomen en redeneerhulpen | In deze module leert de student werken met klinische redeneerhulpen om situaties systematisch te beoordelen en de urgentie van zorgvragen in te schatten. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het herkennen van alarmsymptomen en het gestructureerd communiceren, bijvoorbeeld met SBARR, in acute en complexe situaties. |
|
B1-K1-W1 Inventariseert de behoefte aan zorg en/of ondersteuning (zorgverlener, gezondheidsbevorderaar)
P2-K1-W1 Stelt een verpleegkundige diagnose (zorgverlener)
P2-K1-W3 Coördineert en optimaliseert de zorgverlening (professional en EBP-professional)
Titel module | Doel | Leerdoelen | Verdieping |
| Visie op gezondheid en zorg | In deze module leert de student gezondheid breed te benaderen en zorg te verlenen vanuit waarden zoals autonomie, eigen regie en kwaliteit van leven, met aandacht voor persoonsgerichte zorg. Daarnaast ontwikkelt de student inzicht in ontwikkelings- en levensfasen en leert de student de zorg en communicatie af te stemmen op de behoeften en mogelijkheden van de zorgvrager. |
| |
| Zelfzorgvaardigheden | In deze module leert de student het zelfzorgvermogen van de zorgvrager vast te stellen en op basis daarvan de zorg planmatig af te stemmen en te organiseren, met aandacht voor waardigheid en eigen regie. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van veranderingen, het formuleren van doelen en het vastleggen en bijstellen van zorg rondom zelfzorg. |
| Verdieping niveau 4: De mbo-verpleegkundige heeft meer verantwoordelijkheid voor het analyseren van oorzaken van verminderd zelfzorgvermogen, het (mede)opstellen van zorgplannen en het coachen van collega’s hierin; de Verzorgende-IG voert vooral de afgesproken ondersteuning uit en signaleert veranderingen. |
| Vroegsignalering en risicosignalering | In deze module leert de student het belang van vroegsignalering voor het voorkomen van complicaties en crisissituaties en het tijdig herkennen van signalen van achteruitgang bij zorgvragers. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van risicofactoren en het inzetten van observatie- en signaleringsinstrumenten binnen de kwaliteitscyclus. |
| Verdieping niveau 4: De mbo-verpleegkundige gebruikt vroegsignalering expliciet als onderdeel van klinisch redeneren en besluitvorming (bijv. inschatten urgentie, interventie bepalen); de Verzorgende-IG focust op het herkennen, vastleggen en doorgeven van signalen. |
| Preventie en Valpreventie | In deze module leert de student preventie toe te passen in de zorgpraktijk, met aandacht voor het voorkomen van gezondheidsproblemen en risico’s zoals vallen. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren, rapporteren en bespreken van incidenten en het uitvoeren van passende preventieve maatregelen, afgestemd op de zorgvrager en de situatie. |
| Verdieping niveau 4: De mbo-verpleegkundige richt zich sterker op het analyseren van patronen (bijvoorbeeld in incidentmeldingen), het doen van verbetervoorstellen en het bijdragen aan preventiebeleid; de Verzorgende-IG richt zich vooral op het uitvoeren van preventieve maatregelen en het signaleren van risico’s. |
| Methodisch werken – verpleegkundig proces | In deze module leert de student methodisch werken binnen het verpleegkundig proces en de samenhang met klinisch redeneren, met als doel veilige en kwalitatieve zorg te bieden. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in systematisch observeren, het interpreteren van gegevens en het formuleren van passende doelen die aansluiten bij de zorgvrager. |
| Verdieping niveau 4: De mbo-verpleegkundige heeft een centrale rol in het regisseren van het volledige verpleegkundig proces; de Verzorgende-IG werkt methodisch binnen het eigen takenpakket en levert gegevens voor de verschillende fasen. |
| Individueel zorgplan in branches | In deze module leert de student wat een individueel zorgplan inhoudt en hoe dit wordt opgebouwd en toegepast binnen verschillende zorgsettings. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om actief bij te dragen aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het zorgplan in samenwerking met de zorgvrager en naasten. |
| Verdieping niveau 4: De mbo-verpleegkundige heeft een centrale rol in het coördineren, (her)formuleren en evalueren van zorgplannen; de Verzorgende-IG richt zich vooral op uitvoering volgens zorgplan, let op dit kan per branche verschillen! |
| Rapporteren | In deze module leert de student het belang van duidelijke, objectieve en tijdige rapportage voor de kwaliteit en continuïteit van zorg. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het gestructureerd en feitelijk rapporteren, met aandacht voor juridische en ethische richtlijnen zoals privacy en inzagerecht. |
|
B1-K2-W1 Stemt af met formele zorgverleners (samenwerkingspartner, organisator)
B1-K2-W2 Werkt samen met andere zorgprofessionals (samenwerkingspartner, organisator)
| Titel module | Doel | Leerdoelen | Verschil VIG en VP |
| Samenwerken met andere zorgprofessionals | In deze module leert de student hoe samenwerking in de zorg is georganiseerd en welke rollen en taken verschillende zorgverleners hebben binnen de keten. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om bij te dragen aan gezamenlijke besluitvorming en het afstemmen van zorg met andere disciplines en organisaties. | Je leert:
| VIG: herkent de rollen van andere professionals, werkt samen volgens bestaande afspraken, stemt basisinformatie af in overleg. VP: neemt initiatief in het organiseren van samenwerking, bespreekt inhoudelijke keuzes met andere zorgverleners, en neemt deel aan gezamenlijke besluitvorming over het zorgplan van de cliënt. |
| Samenwerken met informele zorgverleners | In deze module leert de student zorg af te stemmen met zorgvragers en informele zorgverleners, met aandacht voor samenwerking en onderlinge afstemming. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van overbelasting, het zorgvuldig vastleggen van informatie en het verantwoord gebruiken van hulpmiddelen, met respect voor alle betrokkenen. | Je leert:
| |
| Intake, overdracht en ontslag | In deze module leert de student hoe zorgprocessen rondom opname, overplaatsing en ontslag verlopen en welke rol de zorgprofessional daarin heeft. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het verzamelen van informatie en het zorgvuldig overdragen van zorg en begeleiding. | Je leert:
| VIG: ondersteunt bij de intake, voert overdracht uit volgens instructie en draagt informatie over aan collega’s of disciplines; VP: voert zelfstandig een intake uit, coördineert de overdracht of het ontslag, en stemt af met andere disciplines over de juiste timing en inhoud van de overdracht. |
| Financiering van de zorg | In deze module leert de student hoe de zorg in Nederland is georganiseerd en gefinancierd vanuit verschillende wetten en regelingen. Daarnaast krijgt de student inzicht in zorgzwaarte, indicatiestelling en de invloed hiervan op de zorgverlening. | Je leert:
| Bekostiging zorg, zorgzwaartepakketten, zorgindicaties en wet en regelgeving financiering zorg VIG: herkent welke financieringsvorm van toepassing is op de zorgvrager, en handelt conform de gemaakte afspraken binnen het team; VP: heeft inzicht in de invloed van financiering op de zorgverlening, houdt hier rekening mee bij het opstellen of aanpassen van het zorgplan, en stemt af met het team of externe indicatiestellers. |
| Sociale kaart en ketenzorg | In deze module leert de student werken met de sociale kaart om passende zorg en ondersteuning te organiseren voor de zorgvrager. Daarnaast ontwikkelt de student inzicht in ketenzorg en de samenwerking tussen verschillende organisaties en disciplines. | Je leert:
| VIG: weet waar je informatie kunt vinden en wanneer je een andere partij inschakelt, voert zelf geen regie. VP: coördineert actief, neemt initiatief om ketenpartners te betrekken bij het zorgplan en stemt inhoudelijk af met andere zorgverleners. |
| Informatieoverdracht | In deze module leert de student informatie zorgvuldig vast te leggen en over te dragen binnen en tussen zorgorganisaties. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het afstemmen van zorg en het actueel houden van het zorgplan, met oog voor verschillende belangen en contexten. | Je leert:
| VIG: richt zich vooral op dagelijkse rapportage en overdracht naar collega’s binnen het team. (minimaal) VP: richt zich ook op overdracht naar externe zorgverleners (zoals huisarts of fysiotherapeut), inclusief voorbereiding van overdrachtsmomenten (bijv. ontslag of opname). (kern van deze module), gaat ook over informatie aanpassen aan doelgroep en doel, discreet omgaan met informatie en proactief informatie delen Dit kan gaan over informatieoverdracht bij overplaatsing, overleg over wondzorg of doorverwijzing, afstemming over therapie, doorvertalen van instructies (van andere zorgverleners) naar de dagelijkse zorgverlening en inzet technologische hulpmiddelen. |
| Samenwerken en afstemmen van zorg | In deze module leert de student hoe rollen en verantwoordelijkheden binnen een team en met andere professionals zijn verdeeld. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren en bespreken van knelpunten en het bewust innemen van de eigen rol in samenwerking. | Je leert:
| VIG: werkt samen volgens afspraken, signaleert en stemt af wanneer nodig. VP: neemt actief deel aan zorgafstemming, denkt mee in oplossingen en neemt regie in het coördineren van zorg. |
| MDO en interdisciplinair overleg | In deze module leert de student hoe multidisciplinair overleg is opgebouwd en wat het doel hiervan is binnen de zorg. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het voorbereiden van eigen inbreng en het bijdragen aan gezamenlijke besluitvorming met andere zorgprofessionals. | Je leert:
| VIG: is soms aanwezig bij MDO ter informatie, levert input via overdracht of observatie. VP: is actief deelnemer aan MDO, brengt observaties in, denkt mee in besluiten en bewaakt de uitvoering ervan. |
Titel module | Doel | Leerdoelen | |
| Zelfmanagement en eigen regie | In deze module leert de student de zelfredzaamheid en eigen regie van de zorgvrager in de praktijk te ondersteunen en te versterken tijdens de uitvoering van zorg. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van veranderingen en knelpunten in het dagelijks functioneren en het terugkoppelen hiervan om de ondersteuning waar nodig bij te stellen. |
| Onderwerp: autonomie en zelfmanagement Verschil VIG en VP VIG en VP hebben beide de taak om zelfredzaamheid en eigen regie te ondersteunen. De VIG richt zich vooral op het dagelijks stimuleren en ondersteunen, de VP neemt bij complexe situaties vaker initiatief in het coördineren met andere disciplines en het zorgplan. |
| Regie bij wonen en administratie | In deze module leert de student in kaart te brengen welke praktische taken de zorgvrager zelfstandig kan uitvoeren en waar ondersteuning nodig is. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van hulpvragen en het samenwerken met mantelzorgers en andere betrokkenen. |
| Beide rollen dragen bij aan het ondersteunen van de zorgvrager bij huishouden en administratie. De VIG voert vooral praktische taken uit en stimuleert de zorgvrager om mee te doen, terwijl de VP daarnaast vaker afspraken maakt met andere disciplines of instanties en de coördinatie bewaakt. |
| Sociaal netwerk | In deze module leert de student het sociale netwerk van de zorgvrager te versterken en te ondersteunen bij het onderhouden van betekenisvolle relaties. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het stimuleren van contact en het vinden van passende activiteiten. |
| Verschil VIG en VP (algemeen): VIG en VP hebben beide de taak om het sociaal netwerk te benutten voor de kwaliteit van leven van de zorgvrager. De VIG richt zich vooral op signaleren en stimuleren in de dagelijkse praktijk, terwijl de VP bij complexe situaties vaker de coördinatie en afstemming met andere disciplines, instanties of het zorgplan op zich neemt. |
| Dagbesteding en activiteiten | In deze module leert de student samen met de zorgvrager passende dagbesteding en structuur te organiseren. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van achteruitgang en het begeleiden van de zorgvrager bij het behouden van een zinvolle invulling van de dag. |
| De VIG richt zich vooral op het ondersteunen en begeleiden bij de dagelijkse activiteiten. De VP bewaakt daarnaast het grotere geheel: het aansluiten bij doelen in het zorgplan en afstemmen met andere disciplines. |
| Veiligheid (bij persoonlijke verzorging) | In deze module leert de student risico’s in de leefomgeving te signaleren en te bespreken met de zorgvrager en naasten. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het voorkomen, rapporteren en evalueren van incidenten, met behoud van eigen regie. |
| De VIG draagt bij door alert te zijn op risico’s en direct in te grijpen in de dagelijkse praktijk. De VP neemt daarnaast vaker de coördinerende rol op zich, bijvoorbeeld bij structurele veiligheidsrisico’s of overleg met andere disciplines. |
| Vocht en voeding | In deze module leert de student de voedings- en vochtbehoefte van de zorgvrager vast te stellen en hier passende ondersteuning bij te bieden. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van problemen en het samenwerken met andere professionals rondom voeding en gezondheid. |
| De VIG voert dagelijks observaties en ondersteuning uit, de VP coördineert vaker bij complexe voedingsproblemen en stemt af met disciplines |
| Bedverzorging en complicaties | In deze module leert de student zorg te verlenen aan bedlegerige zorgvragers, met aandacht voor comfort, privacy en preventie van complicaties. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren, rapporteren en afstemmen van zorg met andere professionals. |
| De VIG voert de preventieve en verzorgende handelingen uit. De VP coördineert, monitort het geheel en stemt af met disciplines bij ernstige of complexe complicaties. |
| Sociale media, digitale veiligheid en privacywetgeving | In deze module leert de student verantwoord omgaan met sociale media, digitale gegevens en technologie binnen de zorgpraktijk. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om deze onderwerpen begrijpelijk uit te leggen aan zorgvragers en naasten, met aandacht voor privacy, veiligheid, wet- en regelgeving en ethische vraagstukken. |
| |
| Technologische hulpmiddelen: e-health en domotica | In deze module leert de student e-health en domotica toe te passen in de zorg, afgestemd op de behoeften van de zorgvrager. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het begeleiden van gebruik en het beoordelen van mogelijkheden en beperkingen van digitale hulpmiddelen. |
| |
| Palliatieve zorg | In deze module leert de student palliatieve zorg verlenen, afgestemd op de behoeften van de zorgvrager in de laatste levensfase. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van veranderingen, symptoombestrijding en het afstemmen van zorg met betrokkenen. |
| Verschil VIG en VP (algemeen): De VIG observeert en signaleert, de VP heeft daarnaast een coördinerende rol bij palliatieve zorg en stemt af met arts of palliatief team. Hier ook abstineren, palliatieve sedatie en euthanasie aan bod laten komen bij leerdoel 2 Ook aandacht voor: de begrippen klinische dood, hersendood, orgaandonatie en weefseldonatie opnemen? |
| Sterven en dood | In deze module leert de student zorg te verlenen in de stervensfase en rondom het overlijden van de zorgvrager. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het bieden van ondersteuning aan naasten en het zorgvuldig omgaan met het lichaam en het rouwproces. |
| De VIG begeleidt in de dagelijkse zorg rond sterven en overlijden. De VP heeft daarnaast vaker contact met artsen en andere disciplines, en coördineert het proces rondom de afronding van zorg. |
Titel module |
Doel |
Leerdoelen |
| Introductie communicatie | In deze module leer je stap voor stap hoe communicatie werkt. Je ontdekt hoe woorden, lichaamshouding en emoties samen een gesprek maken. Ook krijg je tips om duidelijker te spreken, beter te luisteren en het sneller op te merken wanneer er iets niet klopt. De module bevat voorbeelden uit de praktijk en korte oefenopdrachten. Zo krijg je meer rust, aandacht en vertrouwen in je communicatie met zorgvragers en collega’s. |
|
| Miscommunicatie | In deze module leer je wat miscommunicatie is en hoe je het herkent, voorkomt en oplost. Miscommunicatie kan frustratie en fouten veroorzaken, wat de zorg voor de zorgvrager beïnvloedt. Je ontdekt wat miscommunicatie is, hoe je het kunt herkennen en welke handige tools je kunt gebruiken voor duidelijke en effectieve communicatie. |
|
| Omgaan met emotionele zorgvragers | In deze module leer je hoe je omgaat met zorgvragers die boos, bang, verdrietig of gefrustreerd zijn. Je ontdekt wat emoties met mensen doen, hoe je ze herkent en hoe je er rustig op kunt reageren. Je krijgt praktische tips om spanning te verminderen en contact te houden, ook in moeilijke situaties. De module bevat herkenbare voorbeelden en korte oefenopdrachten. Zo leer je stap voor stap om kalm en duidelijk te blijven in gesprekken met emotionele zorgvragers. |
|
| Gesprekken voeren | In deze module leer je hoe je verschillende gesprekken voert in de zorg. Je ontdekt welke gespreksvormen er zijn en wanneer je ze het beste kunt gebruiken. Ook krijg je tips om je mening duidelijk en respectvol te verwoorden, goed te luisteren naar de ander en samen tot oplossingen te komen. De module bevat herkenbare praktijkvoorbeelden en korte opdrachten. Zo krijg je meer vertrouwen, rust en vaardigheid in gesprekken met zorgvragers en collega’s. |
|
| Voorlichting en advies | In deze module leer je hoe je als verzorgende of verpleegkundige duidelijke en begrijpelijke voorlichting geeft. Je ontdekt hoe je advies afstemt op wat de zorgvrager nodig heeft en hoe je het beste informatie overbrengt, zodat iemand het ook echt kan opvolgen. Je oefent met praktische tips voor herkenbare situaties, zoals uitleg over medicatie, hulpmiddelen en zelfzorg. De module bevat herkenbare voorbeelden en korte opdrachten. Zo groei je in duidelijkheid, vertrouwen en effectiviteit in jouw communicatie met zorgvragers. |
|
| Overleggen en onderhandelen | In deze module leer je hoe je goed kunt overleggen en onderhandelen in de zorg. Je ontdekt welke vormen van overleg er zijn, hoe je je mening duidelijk en respectvol kunt delen, en hoe je samen met collega’s en andere betrokkenen tot goede afspraken komt. De module helpt je om lastige gesprekken te voeren, oplossingen te vinden en meningsverschillen te bespreken zonder dat het escaleert. Met herkenbare praktijkvoorbeelden en korte oefenopdrachten krijg je meer vertrouwen en vaardigheid in jouw communicatie op de werkvloer. |
|
| Communicatiemethoden en hulpmiddelen | In deze module leer je hoe je verschillende communicatiemethoden en hulpmiddelen inzet om contact te maken met zorgvragers en hen te helpen zich uit te drukken. Je ontdekt wanneer je methoden zoals basale communicatie, totale communicatie of ervaar‑het‑maar toepast. Ook oefen je met visuele hulpmiddelen zoals pictogrammen, planners en gebaren, en met digitale middelen die communicatie kunnen ondersteunen. De module bevat herkenbare praktijkvoorbeelden en korte opdrachten. Zo groei je in vaardigheid, duidelijkheid en effectiviteit in je communicatie met zorgvragers. |
|
| Motiverende gespreksvoering | In deze module leer je hoe je motiverende gespreksvoering inzet om goed in gesprek te gaan met zorgvragers die willen veranderen of daar onzeker over zijn. Je ontdekt wat deze manier van communiceren inhoudt en wanneer je deze techniek kunt gebruiken. Je oefent met vaardigheden zoals open vragen stellen, reflectief luisteren en ambivalentie verkennen. De module bevat herkenbare praktijkvoorbeelden en korte opdrachten. Zo krijg je meer vertrouwen en vaardigheid in het ondersteunen van zorgvragers bij het versterken van hun eigen motivatie. |
|
B1-K1-W1 Inventariseert de behoefte aan zorg en/of ondersteuning (zorgverlener, gezondheidsbevorderaar)
B1-K1-W2 Stelt het zorgplan op en/of bij (zorgverlener) Medisch rekenen Plannen van zorg#
B1-K1-W3 Voert zorginterventies en/of begeleidingsactiviteiten uit (zorgverlener)
Titel modules | doel | leerdoelen |
| Kwaliteit in dementiezorg: Begeleiden van de familie | De verzorging van mensen met dementie kan moeilijk zijn, zeker als je er nog onervaren in bent. Omdat de hersenen niet meer ‘normaal’ functioneren moet je op een andere manier met deze mensen omgaan. In deze e-learningmodule leer je hoe je als verzorgende/verpleegkundige kan reageren in situaties die vaak voorkomen bij het begeleiden van de familie. |
|
| Kwaliteit in dementiezorg: Omgaan met onbegrepen gedrag | De verzorging van mensen met dementie kan moeilijk zijn, zeker als je er nog onervaren in bent. Omdat de hersenen niet meer ‘normaal’ functioneren moet je op een andere manier met deze mensen omgaan. In deze e-learningmodule leer je hoe je als verzorgende/verpleegkundige kan reageren in situaties die vaak voorkomen in het omgaan met onbegrepen gedrag. |
|
| Kwaliteit in dementiezorg: Omgaan met stemmingen | De verzorging van mensen met dementie kan moeilijk zijn, zeker als je er nog onervaren in bent. Omdat de hersenen niet meer ‘normaal’ functioneren moet je op een andere manier met deze mensen omgaan. In deze e-learningmodule leer je hoe je als verzorgende/verpleegkundige kan reageren in situaties die vaak voorkomen in het omgaan met verschillende stemmingen van bewoners. |
|
B1-K1-W1 Inventariseert de behoefte aan zorg en/of ondersteuning (zorgverlener, gezondheidsbevorderaar)
Plannen van zorg#
B1-K1-W2 Stelt het zorgplan op en/of bij (zorgverlener)
Titel module | Doel | Leerdoelen |
| Basisvaardigheden rekenen | We beginnen met de basisvaardigheden rekenen. Deze module is niet verplicht, maar wel handig als je nog even je kennis wil opfrissen. Weet jij nog hoe je moet afronden en hoe je procenten berekent? |
|
| Vaste medicatie | Het is essentieel dat je weet hoeveel werkzame stof er in medicatie zit. Geef je te veel of te weinig, dan kan dat gevolgen hebben voor de zorgvrager. De sterkte van medicatie wordt uitgedrukt in verschillende soorten grammen: soms in gram (g) of zelfs in kilogram (kg), en andere keren in milligram (mg) of microgram (µG/mcg). Om de juiste dosis te geven moet je zonder fouten de verschillende eenheden kunnen omrekenen. |
|
| Vloeibare medicatie | In deze module leer je hoe je de verschillende berekeningen maakt die je nodig hebt bij het toedienen van vloeibare medicatie. Bij medicatie gaat het meestal om massa in volume, oftewel hoeveel (milli)gram of (I)E er in een vloeistof is opgelost. Je hebt het dan over de ‘concentratie’: hoeveel van een bepaalde stof zit er in een andere stof. In de meeste gevallen wordt dit aangegeven in percentages. Het kan ook zijn dat je moet uitrekenen hoeveel werkzame stof er in een milliliter medicatie zit. |
|
| Infusie/transfusie | Hoe stel je de juiste druppelsnelheid bij een infusie of transfusie in? Hoe laat is de inhoud ingelopen, zodat je op tijd langs kunt gaan bij de zorgvrager? In deze module wordt uitgelegd hoe je de druppelsnelheid van een infuus uitrekent. Je leert hoe je moet rekenen bij het werken met een volumetrische pomp en een druppelregelaar. Je kunt kleinere hoeveelheden vloeistof ook toedienen door middel van een perfusor. De berekeningen die je hierbij moet maken, komen ook aan de orde in deze module. |
|
| Zuurstof | Een belangrijke taak is het toedienen van zuurstof. Meestal beschik je over de mogelijkheid om zuurstof direct uit de muur te kunnen gebruiken. In deze module gaat het over het gebruik van losse cilinders. Daarbij is het van groot belang dat je kunt berekenen welke hoeveelheid je moet toedienen en op welke stand je de manometer moet zetten, zodat de zorgvrager niet te veel of te weinig zuurstof krijgt. Verder leer je uitrekenen hoeveel liter zuurstof je op voorraad hebt. |
|
| Vochtbalans | Een veelvoorkomende handeling is het maken van een vochtbalans. Een vochtbalans maak je vrijwel altijd op aan de hand van gegevens van de afgelopen 24 uur (etmaal). Je gaat hierbij na wat er allemaal aan vocht is binnengekomen en wat er is uitgescheiden. Een vochtbalans kan positief, negatief of neutraal zijn. |
|
| Casuïstiek | Heb je voldoende geoefend en ben je klaar om je rekenkennis toe te passen? In deze module kun je aan de slag met zes casussen uit de dagelijkse praktijk. Drie voorbeelden gaan over volwassenen en drie voorbeelden over kinderen. Bij elke casus beantwoord je 10 vragen waarbij je verschillende rekenvaardigheden moet toepassen. |
|
Waarom kiezen voor BSL Media & Learning
- Flexibel en modulair – past bij elke leerstijl, elk tempo en elke school.
- Specifiek voor mbo-zorgonderwijs – ontwikkeld door experts, direct toepasbaar in de praktijk
- Onderwijs ontzorgd – kant-en-klare leerlijnen en digitale ondersteuning
- Effectieve didactiek – bewezen leerstrategieën die motiveren en activeren
Hoe kunnen wij je helpen?
Onze merken






Blijf op de hoogte van ons complete aanbod
je ontvangt ongeveer 4 keer per jaar een nieuwsbrief.