Leerdoelenoverzicht mbo V&V

Helder inzicht in leerdoelen voor mbo verpleegkunde en verzorging

Welke BSL-module sluit aan bij welk onderdeel van het mbo-curriculum verpleegkunde en verzorging? Met dit leerdoelenoverzicht krijg je in één oogopslag duidelijkheid. Je ziet precies hoe leerdoelen zijn gekoppeld aan de BSL- modules en hoe deze aansluiten op de verschillende onderdelen van het curriculum.

B1-K1-W3 Voert zorginterventies en/of begeleidingsactiviteiten uit (zorgverlener)
B1-K1-W4 Voert verpleegtechnische handelingen uit (organisator) 

Titel module
Inleiding thema/ doel
Leerdoelen
Vitale functiesDe vitale functies zijn de belangrijkste functies in het lichaam. Ze zorgen ervoor dat iemand in leven blijft. De vitale functies bestaan uit de ademhaling, hartslag, bloeddruk, lichaamstemperatuur en het bewustzijn. In deze module leer je op welke manier de vitale functies belangrijk zijn voor het lichaam. Ook leer je hoe je de vitale functies observeert en meet, bij wie je dit doet en waar je op moet letten.
  • Je leert ademhaling observeren
  • Je leert saturatie meten
  • Je leert hartslag bepalen door middel van de pols
  • Je leert bloeddruk meten Je leert bewustzijn observeren
  • Je leert lichaamstemperatuur bepalen
Injecteren insulineInsuline wordt toegediend bij zorgvragers met diabetes mellitus. Insuline kan worden toegediend door de zorgvrager zelf, maar het kan ook een taak zijn voor jou als zorgverlener. In deze module leer je waarom injecteren van insuline en het meten van de bloedglucosewaarde belangrijk is. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Je leert bloedglucosewaarde meten
  • Je leert insuline subcutaan toedienen
ZwachtelenOm opgehoopt vocht (oedeem) in een arm of been af te voeren krijgt een zorgvrager compressietherapie. Dat gebeurt onder andere door middel van zwachtelen. In deze module leer je op een goede en veilige manier benen en armen zwachtelen.
  • Je leert een arm zwachtelen
  • Je leert een onderbeen zwachtelen
  • Je leert een onder- en bovenbeen zwachtelen
Verzorgen, rode, gele en zwarte worndAls de huid niet intact is, spreek je van een wond. Het lichaam geneest de wond en jij moet hiervoor de beste omstandigheden creëren met de juiste wondzorg. Verschillende soorten wonden vragen om verschillende verzorging. Foutieve wondverzorging kan leiden tot complicaties voor de zorgvrager, zoals een infectie. In deze module leer je waarom passende verzorging van wonden belangrijk is. Ook leer je hoe je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Je leert wondverzorging bij een rode wond
  • Je leert wondverzorging bij een gele wond
  • Je leert wondverzorging bij een zwarte wond
StomazorgEen stoma is een kunstmatige uitgang in het menselijk lichaam. Een stoma wordt chirurgisch aangelegd en verbindt een lichaamsholte met de buitenwereld. In deze module staat de zorg voor een stoma voor ontlasting en urine centraal.
  • Je leert een stoma verzorgen
Bloedafname via venapunctieBloed kan op twee manieren worden afgenomen: direct vanuit de ader of via een infuus. Bloed afnemen rechtstreeks vanuit de ader, oftewel via venapunctie, heeft de voorkeur. In deze module leer je op een veilige manier bloed af te nemen direct vanuit een ader via een gesloten systeem. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Je leert bloed afnemen via venapunctie voor bloedkweek
  • Je leert bloed afnemen via venapunctie voor bloedonderzoek
Infusie: subcutaan infuusSubcutane infusie is het toedienen van medicatie of vocht (hypodermoclyse) in het onderhuidse bindweefsel bij zorgvragers. Het doel is vaak pijnbestrijding, maar ook andere medicijnen of vocht kunnen via een subcutaan infuus worden ingebracht. In deze module leer je hoe je op een juiste en veilige manier een subcutane canule inbrengt. Ook leer je hoe je hypodermoclyse uitvoert.
  • Je leert een subcutane canule inbrengen
  • Je leert medicatie subcutaan toedienen via bolus
  • Je leert medicatie subcutaan toedienen via cassettepomp
  • Je leert de insteekopening van een subcutaan infuus verzorgen
  • Je leert een subcutane canule verwijderen
  • Je leert hypodermoclyse toepassen
Infusie: centraal veneuze katheterMet een centraal veneuze katheter dien je vloeistoffen toe in een groot bloedvat van een zorgvrager. Hiermee kun je medicatie, totale parenterale voeding en bloedproducten toedienen. Het wordt ook gebruikt voor het afnemen van bloed. In deze module leer je op welke plekken een CVK ingebracht kan worden en welke soorten centraal veneuze katheters er zijn. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Je leert de insteekopening van een centraal veneuze katheter verzorgen
  • Je leert het infuussysteem van een centraal veneuze katheter verwisselen
  • Je leert een centraal veneuze katheter verwijderen
Infusie: bloed toedienenBloedtransfusie is het overbrengen van bloed van iemand anders in de ader van een zorgvrager.  Er bestaan verschillende soorten bloedproducten die je kunt toedienen. In deze module leer je hoe je bloed toedient via een perifeer of centraal infuus. Ook leer je bij welke zorgvragers je bloed toedient en waar je op moet letten.
  • Je leert bloed toedienen
Infusie: medicatie klaarmaken en toedienenIntraveneuze medicatie is alle medicatie die je via de bloedbaan toedient aan de zorgvrager. Vaak moet je deze medicatie eerst nog klaarmaken voordat je het kunt toedienen. In deze module leer je hoe je op een juiste en veilige manier intraveneuze medicatie klaarmaakt en toedient. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.
  • Je leert medicatie toedienen via een waaknaald
  • Je leert medicatie toedienen via een spuitenpomp
  • Je leert medicatie toedienen via een zijlijn
Wondzorg: spoelen, drains en hechtingenOm de genezing te bevorderen moeten sommige wonden eerst gespoeld worden, voordat ze gesloten worden met hechtingen en een eventuele wonddrain. Een wonddrain zit zelf ook vaak vast met een hechting, die je op een later moment moet verwijderen. Net als de hechtingen zelf, zodra een wond voldoende genezen is. Deze handelingen hangen soms met elkaar samen, maar dat hoeft niet. Je kunt ook situaties tegenkomen waarbij je slechts één van deze handelingen moet uitvoeren. In deze module leer je waarom sommige wonden gespoeld moeten worden en waarom passende verzorging en verwijdering van wonddrains en hechtingen belangrijk is. Ook leer je hoe je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Je leert een wond spoelen
  • Je leert een wond- of redondrain verzorgen
  • Je leert een wond- of redondrain verwijderen
  • Je leert hechtingen verwijderen
Katheteriseren: suprapubische verblijfskatheter en blaasspoelenDe suprapubische verblijfskatheter is een katheter voor de afvoer van urine die wordt ingebracht via de buikwand. Als zorgverlener moet jij deze ‘buikkatheter’ kunnen verzorgen en periodiek verwisselen. Daarnaast moet je soms de blaas van een zorgvrager spoelen via de verblijfskatheter. In deze module leer je hoe je op een juiste en veilige manier een suprapubische verblijfskatheter verzorgt en verwisselt en hoe je iemands blaas spoelt. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.
  • Je leert een suprapubische verblijfskatheter verzorgen
  • Je leert een suprapubische verblijfskatheter verwisselen
  • Je leert een katheter- of blaasspoeling uitvoeren met een spoelzakje
Tracheacanule en tracheostoma verzorgenIn deze module staat het verzorgen van een tracheacanule en tracheostoma centraal. Bij een tracheacanule of tracheostoma wordt een opening in de luchtpijp gemaakt, waardoor de zorgvrager kan ademen. Deze opening moet regelmatig gereinigd en verzorgd worden. Het is soms nodig om de mond- en keelholte of de tracheacanule uit te zuigen om de luchtweg vrij te maken van slijm. Het uitzuigen is opgenomen in de module Uitzuigen van een tracheacanule of tracheostoma. In de module Zuurstof toedienen wordt uitgelegd hoe je zuurstof toedient via een tracheacanule.
  • Je leert de binnencanule van een tracheacanule wisselen en reinigen
  • Je leert een tracheostoma verzorgen (zonder canule)
InjecterenInjecteren is het inspuiten van medicatie in het lichaam met een injectiespuit en -naald. Er zijn verschillende methoden voor injecteren: in de huid, in het onderhuids bindweefsel, in een spier of in een bloedvat. In deze module leer je meer over injecteren in het onderhuids bindweefsel (subcutaan) en in een spier (intramusculair injecteren). Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.
  • Je leert een injectiespuit klaarmaken
  • Je leert subcutaan injecteren: Huidplooitechniek, Loodrechttechniek, Loodrechte huidplooitechniek
  • Je leert intramusculair injecteren: Stretch- of rangeertechniek
Katheteriseren: blaas-katheter manEen blaaskatheter is een flexibele slang die je inbrengt in de blaas. Door een blaaskatheter te plaatsen kan urine goed uit de blaas stromen. Een blaaskatheter kun je ook gebruiken om vloeistoffen in te brengen. Deze module gaat over de blaaskatheterisatie van een man. Je leert hoe het urinestelsel van een man in elkaar zit en in welke gevallen er wordt gekozen voor een blaaskatheter. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.
  • Je leert eenmalig katheteriseren man
  • Je leert het inbrengen van een verblijfskatheter man
  • Je leert een verblijfskatheter man verzorgen
  • Je leert een verblijfskatheter man verwijderen
Katheteriseren: blaas-katheter vrouwEen blaaskatheter is een flexibele slang die je inbrengt in de blaas. Door een blaaskatheter te plaatsen kan urine goed uit de blaas stromen. Een blaaskatheter kun je ook gebruiken om vloeistoffen in te brengen. Deze module gaat over de blaaskatheterisatie van een vrouw. Je leert hoe het urinestelsel van een vrouw in elkaar zit en in welke gevallen er wordt gekozen voor een blaaskatheter. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.
  • Je leert eenmalig katheteriseren vrouw
  • Je leert een verblijfskatheter vrouw inbrengen
  • Je leert een verblijfskatheter vrouw verzorgen
  • Je leert een verblijfskatheter vrouw verwijderen
Sondevoeding: neus-maagsondeWanneer een zorgvrager te weinig voedingsstoffen binnenkrijgt, krijgt hij vaak sondevoeding. Bijvoorbeeld omdat de zorgvrager niet (voldoende) kan of mag eten door ziekte, behandeling of een operatie. De voeding wordt dan toegediend via een sonde. Deze module gaat over de neus-maagsonde: een dun, buigzaam slangetje gekoppeld aan een spuit of voedingspomp.
  • Je leert een neus-maagsonde inbrengen
  • Je leert sondevoeding toedienen via neus-maagsonde – met spuit – met pomp
  • Je leert een neus-maagsonde verwijderen
Sondevoeding: sonde door de buikwandWanneer een zorgvrager te weinig voedingsstoffen binnenkrijgt, krijgt hij vaak sondevoeding. Is er langer dan 6 weken sondevoeding nodig? Dan wordt vaak een sonde door de buikwand ingebracht. In deze module leer je hoe je een sonde door de buikwand verzorgt, hoe je een sonde door de buikwand verwisselt of verwijdert en hoe je sondevoeding toedient via een sonde door de buikwand.
  • Je leert een sonde door de buikwand verzorgen
  • Je leert een ballonsonde of button verzorgen
  • Je leert sonndevoeding via sonde door de buikwand toedienen
UitzuigenDe luchtwegen produceren slijm om afvalstoffen af te voeren. Als dit slijm wordt opgehoest, noem je het sputum. Als sputum in de longen terechtkomt, dan kan het de ademhaling belemmeren of een longontsteking veroorzaken. Bij zorgvragers die de longen niet zelf schoon kunnen houden, moet je de luchtwegen uitzuigen. In deze module leer je hoe je uitzuigt via de neus, mond of tracheacanule. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.
  • Je leert uitzuigen via de neus of mond
  • Je leert uitzuigen via een tracheacanule
Zuurstof toedienenIn deze module leer je hoe je zuurstof toedient. Dat kan via de neus en mond, of via een tracheacanule of tracheostoma. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.Een tekort aan zuurstof in het bloed leidt tot zuurstoftekort in de weefsels, zoals de hersenen en het hart. Dat kan weer andere klachten veroorzaken.
  • Je leert zuurstof toedienen
ThoraxdrainAls er lucht of vocht in de pleuraholte zit, werken de longen niet goed. Als gevolg daarvan krijgt het lichaam niet genoeg zuurstof. Een thoraxdrain verwijdert de lucht of het vocht. In deze module leer je hoe een thoraxdrain werkt, hoe je de insteekopening verzorgt en hoe je het drainagesysteem verwisselt. Ook leer je met welke aandachtspunten en complicaties je rekening moet houden.
  • Je leert het verzorgen van een insteekopening bij thoraxdrain
  • Je leert het verwisselen van een thoraxdrainagesysteem

B1-K1-W3 Voert zorginterventies en/of begeleidingsactiviteiten uit (zorgverlener)

B1-K1-W3 Voert zorginterventies en/of begeleidingsactiviteiten uit (organisator)

Titel module
Inleiding thema/ doel
Leerdoelen
MondverzorgingEen mond moet iedere dag schoongemaakt worden. Als je dat goed doet, blijft de mond gezond. Dit heeft ook een positief effect op de verdere gezondheid. In deze module leer je wat belangrijk is bij mondverzorging. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Je leert hoe je een mondinspectie doet
  • Je leert tandenpoetsen bij een client
  • Je leer teen gebitsprothese reinigen
  • Je leert een mondholte reinigen
ToiletgangIeder mens moet af en toe naar het toilet. Soms kan iemand dit niet meer zelfstandig of verliest iemand tussentijds urine of ontlasting. In deze module leer je welke hulp kunt je bieden bij de toiletgang. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Je leert de zorgvrager adequaat begeleiden bij de toiletgang, afgestemd op diens mogelijkheden en behoeften.
  • Je leert zorg verlenen bij urine, ontlasting en menstruatie volgens protocol.
  • Je leert zorg verlenen bij braaksel en sputum volgens protocol, met aandacht voor hygiëne en observatie van afwijkingen.
  • Je leert zorg verlenen bij incontinentie, inclusief het toepassen van hulpmiddelen, signaleren van huidproblemen en nemen van preventieve maatregelen om incontinentie en complicaties te voorkomen.
  • Je leert de vochtbalans van een zorgvrager bewaken en een vochtlijst nauwkeurig bij houden. 
SteunkousenVoor zorgvragers die last hebben van vocht in hun benen kunnen steunkousen helpen. Steunkousen zijn ontworpen om zwellingen te verminderen en de bloedcirculatie te verbeteren. Een steunkous heet eigenlijk een therapeutisch elastische kous (TEK). In deze module leer je alles over therapeutisch elastische kousen voor het been.
  • Je leert steunkousen aantrekken gesloten teenstuk mbv glijzak
  • Je leert steunkousen aantrekken open teenstuk mbv glijzak
  • Je leert steunkousen aantrekken mbv Doff N’ Donner
  • Je leert steunkousen uittrekken mbv glijzak
  • Je leert steunkousen uittrekken mbv Doff N’ Donner
Wassen en bed opmakenIedereen wil zich regelmatig kunnen wassen, douchen of baden om zich schoon en fris te voelen. Ook een fris opgemaakt bed helpt daarbij. Maar sommige zorgvragers kunnen dit tijdelijk of permanent niet meer zelf doen. Daarom geef jij ondersteuning. In deze module leer je waarom wassen en bed opmaken belangrijk is. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Bed opmaken met zorgvrager
  • Helpen bij het baden
  • Helpen bij het douchen
  • Helpen bij het wassen aan de wastafel
  • Verzorgend wassen
  • Wassen op bed
Hygiëne en infectiepreventieMoet je je handen wassen of desinfecteren? Doe je handschoenen aan of niet? En draag je ook een overschort en mondmasker? Dit zijn beslissingen die invloed hebben op de hygiëne. In de gezondheidszorg is het extra belangrijk dat je hygiënisch werkt. Zo voorkom je de verspreiding van ziekteverwekkers, zoals virussen en bacteriën. In deze module leer je waarom hygiëne en infectiepreventie belangrijk is en waar je op moet letten.
  • Handen desinfecteren met handalcohol
  • Handen wassen met water en zeep
  • Niet-steriele handschoenen aan- en uittrekken
  • Steriele handschoenen aan- en uittrekken
  • Schoon en steriel werkveld maken
VerplaatsingenZorgvragers die minder mobiel zijn hebben hulp nodig bij het verplaatsen binnen en buiten het bed. Het is belangrijk dat je als zorgverlener aandacht hebt voor je eigen houding en beweging bij het ondersteunen van de zorgvrager. Je kunt verplaatsingen doen met of zonder tillift. Er is een andere module over het gebruik van tilliften. In deze module leer je bij wie je verplaatsingen zonder tillift uitvoert en waar je op moet letten.
  • Glijzeil aanbrengen
  • Wisselligging met glijzeil
  • Zijwaarts verplaatsen met glijzeil
  • Kantelingen
  • Omhoog verplaatsen
  • Tot zit komen op de rand van het bed
  • Verplaatsen van bed naar bed met patslide
  • Verplaatsen van bed naar stoel
  • Verplaatsen van grond naar stoel zonder hulpmiddel
  • Verplaatsen rondom stoel
  • Begeleiden bij lopen
Kleden en uiterlijke verzorgingUiterlijke verzorging is voor veel mensen belangrijk om zich schoon, fris en fit te voelen. Denk aan haren wassen, scheren of nagels knippen. Het lijken vanzelfsprekende handelingen, maar sommige mensen kunnen dat deels of helemaal niet (meer) zelf. Met kleding draagt iemand uit wie hij is. Mooie en goed zittende kleding draagt bij aan het zelfvertrouwen. In deze module leer je waarom aankleden en uiterlijke verzorging belangrijk is. Ook leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.
  • Aan- en uitkleden
  • Droog scheren
  • Haren wassen op bed
  • Hoortoestel verzorgen
  • Nagels verzorgen
Omgaan met tilliftenBij het verplaatsen van een zorgvrager kun je een tillift gebruiken. Een verplaatsing noem je ook wel een transfer. Als zorgverlener moet je zowel bevoegd als bekwaam zijn om met de tillift te mogen werken. In deze module leer je hoe je omgaat met een passieve en met een actieve tillift. Ook leer je bij welke zorgvragers je deze liften gebruikt en waar je op moet letten.
  • Transfer met actieve tillift
  • Transfer met passieve tillift
  • Verplaatsen van grond naar stoel met passieve tillift
Medicijnen toedienen

Als zorgverlener dien je regelmatig medicijnen toe, of help je zorgvragers bij het innemen van medicatie. Het is jouw taak om ervoor te zorgen dat de zorgvrager het juiste medicijn krijgt op het juiste tijdstip, in de juiste hoeveelheid en dosering en op de juiste wijze toegediend. Fouten in de toediening van medicijnen kunnen tot complicaties leiden.

In deze module leer je bij wie je deze zorg uitvoert en waar je op moet letten.

  • Medicijnen toedienen oraal
  • Medicijnen toedienen via de neus
  • Medicijnen toedienen via het oog
  • Medicijnen toedienen via het oor
  • Inhaleren met dosisaerosol en voorzetkamer
  • Inhaleren met poederinhalator
  • Vernevelen met vernevelapparaat
  • Medicijnen toedienen via de huid
  • Medicijnen toedienen rectaal
  • Medicijnen toedienen vaginaal
Werkprocesoverstijgend In dit thema leer je de bouw en werking van het menselijk lichaam kennen. Je krijgt inzicht in verschillende orgaanstelsels en hoe deze samenwerken. Deze kennis helpt je om veranderingen in de gezondheid van zorgvragers te herkennen en hier professioneel op te handelen.
 
Titel module
Inleiding thema/ doel
Leerdoelen
Hart en bloedvaten Deze reeks microlearnings over bloedsomloop bestaat uit drie onderdelen: bloedsomloop, hart en bloedvaten. Het biedt een overzicht van de anatomie en fysiologie van het hart en de bloedvaten. Je leert hoe het bloed door het lichaam stroomt, hoe het hart werkt en hoe het slagaderstelsel in elkaar zit.
  • Je leert over de bloedsomloop
  • Je leert over het hart
  • Je leert over bloedvaten
Ademhalingsstelsel Vanaf de neus gaat lucht naar binnen, om via de keelholte en luchtpijn naar de longen te komen. Op die manier haal je adem. In vier microlearnings leer je hierover: het ademhalingsstelsel, de luchtwegen, longen en de ademhaling zelf. De hersenen regelen automatisch het ademcentrum. Het lichaam past de ademhaling aan wanneer iemand rust, beweegt of ziek is.
  • Je leert over het ademhalingsstelsel
  • Je leert over de luchtwegen
  • Je leert over de longen
  • Je leert over ademhaling
Spijsverteringsstelsel Alles wat je eet of drinkt gaat door een heel stelsel dat ervoor zorgt dat je lichaam de energie en bouwstoffen krijgt die het nodig heeft. Dat spijsverteringsstelsel (tractus digestivus) is het hele traject van mond tot endeldarm. De belangrijkste taak van de tractus digestivus is: voedsel zo klein maken dat je lichaam het via de darmwand in het bloed kan opnemen.
  • Je leert over de spijsvertering
  • Je leert over de mond, keelholte en slokdarm
  • Je leert over de maag en alvleesklier
  • Je leert over de lever en gal
  • Je leert over de darmen
Zenuwstelsel Het zenuwstelsel stuurt alle activiteiten aan in je lichaam. Het zorgt ervoor dat je kunt bewegen, voelen, denken en reageren op wat er om je heen gebeurt. Of je nu bewust je hand optilt, automatisch ademhaalt of snel reageert op pijn: je zenuwstelsel regelt het allemaal. Het ontvangt prikkels uit je omgeving via je zintuigen, verwerkt die informatie in je hersenen en ruggenmerg, en stuurt vervolgens signalen naar je spieren en organen. Zo blijf je niet alleen in beweging, maar worden ook vitale processen zoals je hartslag en ademhaling automatisch geregeld.
  • Je leert over het zenuwstelsel
  • Je leert over de zenuwen en het ruggenmerg
  • Je leert over de hersenen
Bloed en lymfe Bloed en lymfe houden je lichaam draaiende. Ze brengen zuurstof en voedingsstoffen naar cellen, voeren afval af en beschermen tegen ziekteverwekkers. Zonder dit systeem kunnen je cellen niet werken en raakt je lichaam uit balans.
  • Je leert over bloed en lymfe
  • Je leert over bloedplasma en bloedcellen
  • Je leert over bloedgroepen
  • Je leert over lymfe, bloed en weefselvocht
Huid  De huid is een actief orgaan dat je hele lichaam beschermt, laat voelen en helpt om gezond te blijven. Elke dag verwerkt je huid duizenden prikkels uit je omgeving en houdt hij je temperatuur stabiel. Van zonlicht tot kou, van aanraking tot bacteriën: de huid reageert, herstelt en past zich voortdurend aan.
  • Je leert over de bouw en functies van de huid
  • Je leert over de opperhuid, lederhuid en onderhuidsweefsel
  • Je leert over klieren, haren en nagels
Urinewegen Het urinestelsel is onmisbaar voor een gezond lichaam. Het is een systeem waarin de nieren en urinewegen samen zorgen voor de afvoer van overtollige en schadelijke stoffen. Het resultaat ken je: urine. Daarin zit water en een groot aantal opgeloste stoffen.
  • Je leert over het urinestelsel
  • Je leert over de nieren
  • Je leert over urine, de urineleiders en de blaas
Skelet Het skelet bestaat uit botten: beenweefsel en kraakbeen, Het is verdeeld in drie hoofdonderdelen: schedel, romp en ledematen. Die hoofdonderdelen hebben zelf ook weer verschillende soorten botten. Het skelet geeft vorm aan het lichaam, beschermt organen en maakt beweging mogelijk.
  • Je leert over het skelet
  • Je leert over botten en verbindingen
  • Je leert over de schedel
  • Je leert over de romp
  • Je leert over ledematen
Hormoonstelsel De stofwisseling (metabolisme) bepaalt hoe je lichaam energie aanmaakt, opslaat en gebruikt. Hormonen uit verschillende klieren sturen dit proces aan. Zo bepaalt de schildklier het tempo van de verbranding, terwijl de alvleesklier de bloedsuikerspiegel constant houdt. Bij stress zorgen de bijnieren voor een snelle energieboost. Zo houden deze hormoonklieren de energiehuishouding continu in balans, afgestemd op wat het lichaam op dat moment nodig heeft.
  • Je leert over het hormoonstelsel
  • Je leert over de endocriene klieren
Spierstelsel Als je je lichaam beweegt, werken je botten en spieren samen. Er zijn niet alleen skeletspieren, er is een heel stelsel aan spieren die ervoor zorgen dat je beweegt, zit of staat.
  • Je leert over het spierstelsel
  • Je leert over spiergroepen
Zintuigen Zintuigen zijn organen die het lichaam informatie geven over de omgeving en over je lichaam. Elk zintuig reageert op een specifieke prikkel, zoals licht, geluid, smaak. Deze prikkels gaan vervolgens via zenuwen naar de hersenen. En daar krijgt die informatie betekenis: je ziet, hoort, proeft of voelt iets.
  • Je leert over de zintuigen
  • Je leert over gevoels-, smaak- en reukzintuigen
  • Je leert over het gehoorzintuig
  • Je leert over het gezichtszintuig
Geslachtsorganen Het menselijk lichaam heeft een voortplantingssysteem dat geslachtscellen maakt, bevruchting en zwangerschap mogelijk maakt. Bij mannen gaat het vooral om zaadcellen. Bij vrouwen gaat het om eicellen en zwangerschap. Geslachtsorganen heten daarom ook wel voortplantingsorganen.
  • Je leert over de mannelijke geslachtsorganen
  • Je leert over de vrouwelijke geslachtsorganen
  • Je leert over menstruatie en bevruchting

B1-K1-W5 Handelt in onvoorziene situaties en/of acute situaties (organisator)

Titel module
doel
leerdoelen
 
Gedrag en crisisIn dit thema leert de student acute situaties herkennen, de ernst inschatten en adequaat handelen volgens protocollen om veiligheid te waarborgen. Daarnaast ontwikkelt de student het vermogen om dit handelen te analyseren, te onderbouwen en te verbeteren voor toekomstige situaties.

Leerdoelen VIG en VP

  1. Herkennen en inschatten van acute situaties
    De student herkent verschillende acute situaties en bijbehorende signalen (medisch, gedrag, omgeving).
    De student schat de urgentie en risico’s in en bepaalt of direct handelen nodig is.
  2. Handelen volgens basisstappen en protocollen
    De student handelt adequaat in acute situaties door veiligheid te waarborgen, passende acties uit te voeren, hulp in te schakelen en te werken volgens geldende protocollen en richtlijnen.

VP:

  1. Analyseren, onderbouwen en verbeteren van handelen
    De student analyseert acute situaties, legt verbanden tussen signalen, oorzaken en risico’s, weegt en onderbouwt keuzes in handelen en evalueert het handelen om toekomstige situaties te verbeteren of te voorkomen.

B1-K1-W5 Handelt in onvoorziene situaties en/of acute situaties (organisator)

B1-K3-W2 Evalueert de werkzaamheden en ontwikkelt zichzelf als professional (reflectieve professional )

B1-K3-W3 Draagt bij aan een sociaal en fysiek veilige werkomgeving (professional en kwaliteitsbevorderaar)

Titel module
Doel
Leerdoelen
Verdieping
EHBOIn deze lesmodule leer je de belangrijkste basis voor het verlenen van eerste hulp tijdens je werk als zorgmedewerker. Of daarbuiten natuurlijk.
  • Eerste hulp verlenen bij ongevallen e-learning module
 
Basic Life SupportIn deze e-learning leer je hoe je de reanimatiehandelingen moet uitvoeren.
  • Je werkt tijdens de e-learning aan de volgende leerdoelen.
  • Je weet hoe je een slachtoffer herkent die gereanimeerd moet worden.
  • Je weet hoe je onmiddellijk en adequaat kunt reageren op een noodsituatie.
  • Je weet hoe je de reanimatiehandelingen goed moet uitvoeren volgens het algoritme van basic life support.
  • Je begrijpt hoe de bloedsomloop werkt en kent de anatomie van het hart.
  • Je weet wanneer je kunt stoppen met reanimeren.
  • Je weet welke handelingen je moet uitvoeren bij verslikking en verstikking.
  • Je weet waarom en hoe je een bewusteloos slachtoffer veilig in een zijligging moet leggen.
  • Je weet hoe je een AED veilig en efficiënt moet bedienen.
 
Wet zorg en dwang in de praktijkWat betekent de Wet zorg en dwang voor helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen werkzaam in de psychogeriatrie
  • Je leert wat de Wet zorg en dwang inhoudt.
  • Je leert wat de verschillen zijn tussen de Wet zorg en dwang en de Wet Bopz.
  • Je leert wanneer er sprake is van ernstig nadeel.
  • Je leert aan welke kwaliteitscriteria onvrijwillige zorg moet voldoen.
  • Je leert welke vormen van onvrijwillige zorg er zijn.
  • Je leert wat de psychische en fysieke gevolgen zijn van het toepassen van onvrijwillige zorg voor de zorgvrager.
  • Je leert welke soorten opnames de Wet zorg en dwang onderscheidt. 
  • Je leert wat de rollen zijn van de zorgverantwoordelijke, Wzd-functionaris en cliëntvertrouwenspersoon.
 
Wet zorg en dwang bij mensen met NAHWat betekent de Wet zorg en dwang voor helpenden, verzorgenden en verpleegkundigen die werken met mensen met niet-aangeboren hersenletsel?
  • Leerdoelen wet zorg en dwang toegespitst op NAH.
 
Basiscursus medische terminologieDeze Basiscursus medische terminologie geeft je inzicht in de opbouw van de medische termen. In ongeveer 90 minuten leer je over woordopbouw en woorddelen, ontleden van medische termen, hoe je medische woorden uitspreekt en je maakt kennis met termen over locatie en beweging.Deze cursus behandelt 5 onderwerpen. Elk onderwerp kun je los volgen. Dit helpt je om er regelmatig mee bezig te zijn. – Woordopbouw – Voor- en achtervoegsels – Locatie en beweging – Schrijfwijze en uitspraak – Zoektips voor betrouwbare resultaten 
Gezonde lijf/ gezonde leefstijlIn deze module staat het bevorderen van een gezonde leefstijl centraal, waarbij je inzicht krijgt in de belangrijkste leefstijlfactoren en hun invloed op de gezondheid van de zorgvrager. Je leert hoe je samen met de zorgvrager en diens netwerk leefstijl bespreekbaar maakt, passende adviezen geeft en met behulp van motiverende gespreksvaardigheden – zoals de 5-A’s – ondersteunt bij gedragsverandering.
  • Je leert de belangrijkste leefstijlfactoren benoemen (voeding, beweging, slaap, middelengebruik, ontspanning, sociale contacten) en hun invloed op gezondheid.
  • Je leert samen met de zorgvrager bespreken welke leefstijlaspecten goed gaan en waar risico’s of verbeterkansen liggen, ook in afstemming met naasten en netwerk.
  • Je leert leefstijladviezen geven, afgestemd op de mogelijkheden, motivatie en cultuur van de zorgvrager.
  • Je leert motiverende gespreksvaardigheden gebruiken om de zorgvrager zo nodig te ondersteunen bij gedragsverandering, a.d.h.v. gedragsveranderingsmodellen zoals de 5-A’s.
 
Sociale problematiek en gezondheidsproblemenIn deze module staat het bevorderen van een gezonde leefstijl centraal, waarbij je inzicht krijgt in de belangrijkste leefstijlfactoren en hun invloed op de gezondheid van de zorgvrager. Je leert hoe je samen met de zorgvrager en diens netwerk leefstijl bespreekbaar maakt, passende adviezen geeft en met behulp van motiverende gespreksvaardigheden – zoals de 5-A’s – ondersteunt bij gedragsverandering. Voor mbo-verpleegkundigen (niveau 4) ligt de nadruk op het integraal benaderen van gezondheid (somatiek, psyche en sociaal domein) en het verbinden van zorg en welzijn, bijvoorbeeld door afstemming met het wijkteam en het voeren van casusregie. De Verzorgende-IG heeft hierin een signalerende rol: sociale problematiek wordt vooral in het dagelijks contact herkend en vervolgens overgedragen aan de verpleegkundige of andere betrokken disciplines.
  • Je leert veelvoorkomende vormen van sociale problematiek en gezondheidsproblemen herkennen (zoals eenzaamheid, schulden, overbelasting mantelzorg, verslaving in het netwerk).
  • Je leert uitleggen hoe sociale problemen samenhangen met gezondheid en functioneren in het dagelijks leven.
  • Je leert bij sociale problemen samen te werken met de juiste disciplines en externe partners (bijv. sociaal werker, huisarts, wijkteam) en eigen rol te beschrijven in sociale problematiek en gezondheidsproblemen.
    Voorbeeld van MIM, sociale kaart en ecogram. Huiselijk geweld en meldcode
  • Je leert signalen van mogelijk huiselijk geweld en kindermishandeling benoemen en herkennen (lichamelijk, psychisch, financieel, verwaarlozing).
  • Je leert de stappen van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling benoemen.
  • Je leert volgens de Meldcode handelen: signalen vastleggen, overleggen met een deskundige collega en/of aandachtsfunctionaris, en zo nodig Veilig Thuis betrekken (binnen de eigen rol).
  • Je leert professioneel en respectvol in gesprek gaan met een zorgvrager over zorgen rond veiligheid, binnen de grenzen van zijn/haar functie.
  • Je leert omgaan met eigen gevoelens en morele dilemma’s bij vermoedens van huiselijk geweld en hierover reflecteren.
Verdieping niveau 4
De mbo-verpleegkundige heeft meer rol in het verbinden van zorg en sociaal domein (bijv. overleg met wijkteam, casusregie) en in het integraal kijken naar somatiek-psyche-sociaal; de Verzorgende-IG signaleert sociale problemen vooral in het dagelijks contact en draagt deze over aan de verpleegkundige of andere disciplines

B1-K3-W1 Draagt bij aan het innoveren van zorg (professional en bekwaamheidsbevorderaar)

B1-K3-W2 Evalueert de werkzaamheden en ontwikkelt zichzelf als professional (reflectieve professional )

P2-K1-W3 Coördineerten optimaliseert de zorgverlening (professional en EBP-professional)

Titel module
Doel
Leerdoelen
Innovatie van zorgIn deze module leert de student (zorg)technologische innovaties en hulpmiddelen te verkennen, te beoordelen en doelgericht in te zetten binnen de praktijk. Daarnaast ontwikkelt de student het vermogen om innovaties onderbouwd te kiezen en bij te dragen aan implementatie, passend binnen ethische kaders, kwaliteitseisen en de visie van de organisatie.
  • Je benoemt en onderzoekt nieuwe en bestaande (zorg)technologische ontwikkelingen en hulpmiddelen en beschrijft de mogelijke inzet in de praktijk.
  • Je beoordeelt innovaties op passendheid, haalbaarheid, ethiek en duurzaamheid binnen de organisatie en kwaliteitskaders.
  • je onderbouwt keuzes voor innovatie met behulp van richtlijnen, standaarden en (voor VP: EBP en klinisch redeneren).
  • Je stemt innovaties af en draagt bij aan implementatie, passend bij de visie en werkwijze van de organisatie.
Evalueren en professionele ontwikkelingIn deze module leert de student het eigen werk en de kwaliteit van zorg te controleren, risico’s te herkennen en verbeteringen voor te stellen volgens afspraken en regels. Daarnaast leert de student te reflecteren op het eigen handelen, feedback te gebruiken en te werken aan de eigen ontwikkeling als zorgprofessional.
  • Je evalueert en monitort werkzaamheden en incidenten op basis van protocollen, richtlijnen, kwaliteitskaders en de beroepscode en beargumenteert het belang van kwaliteit.
  • Je analyseert risico’s en knelpunten in de zorgverlening met behulp van redeneerhulpen en benoemt verbetermogelijkheden.
  • Je geeft, ontvangt en benut feedback, reflecteert op het eigen handelen en beoordeelt het eigen functioneren.
  • Je formuleert en realiseert professionele ontwikkeling, inclusief deskundigheidsbevordering en het werken aan beroepsvitaliteit.
Kwaliteit, veiligheid en professionaliteitIn deze module leert de student te werken volgens protocollen, richtlijnen en wet- en regelgeving en het belang hiervan voor veilige en verantwoorde zorg te begrijpen. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om risico’s te signaleren, hierop te handelen en actief bij te dragen aan kwaliteitsverbetering binnen de organisatie.
  • Je handelt conform protocollen, richtlijnen, standaarden, beroepscode en wet- en regelgeving (o.a. Arbo en CAO) en legt het belang hiervan uit.
  • Je past kwaliteitskaders, visie en werkwijze van de organisatie toe in het dagelijks handelen.
  • Je signaleert en handelt bij risico’s op het gebied van sociale en fysieke veiligheid en onderbouwt keuzes (voor VP: ook ethisch).
  • Draagt actief bij aan kwaliteitsverbetering, waaronder duurzaamheid en optimalisatie van zorgprocessen.
Coordinatie en kwaliteitszorgIn deze module leert de student zorgverlening te organiseren en coördineren, zodat continuïteit, kwaliteit en veiligheid gewaarborgd zijn binnen de verpleegkundige praktijk. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om samen te werken, zorgprocessen te verbeteren en keuzes te onderbouwen met richtlijnen, wetgeving en evidence-based practice.

VP-module

  • Je organiseert en coördineert zorgverlening zodanig dat continuïteit, kwaliteit en veiligheid gewaarborgd zijn.
  • Je werkt effectief samen met collega’s, behandelteam en ketenpartners en stemt zorg af tussen betrokkenen.
  • Je analyseert en optimaliseert zorgprocessen op basis van protocollen, kwaliteitskaders en (voor VP: EBP).
  • Je integreert wetgeving, duurzaamheid en beroepsvitaliteit in de organisatie en coördinatie van zorg.

In dit thema maakt de student kennis met een breed scala aan ziektebeelden, variërend van acute en chronische aandoeningen tot lichamelijke en psychische problematiek. De student leert de belangrijkste kenmerken, oorzaken en gevolgen van deze aandoeningen herkennen en begrijpen. Daarnaast wordt inzicht ontwikkeld in de samenhang tussen ziektebeelden en de impact op het dagelijks functioneren en de zorgverlening.

Acuut coronair syndroom
Anemie
Astma en COPD
Botbreuken
Chronische nierinsufficientie
CVA en TIA
Delier
Dementie
Depressie
Diabetes mellitus
Epilepsie
Hartfalen
Hartritmestoornissen
Huidaandoeningen
Kanker
Luchtweginfecties
Multiple sclerose
Obesitas
Oogaandoeningen
Ooraandoeningen
Osteoperose
Reumatische aandoeningen
Schildklieraandoeningen
Urineweginfecties
Veneuze trombose en longembolie
Verslavingsproblematiek
Ziekte van Crohn en Colitis ulcerosa
Ziekte van Parkinson

werkprocesoverstijgend B1-K1,K2,K3 en P2-K1-W1 Stelt een verpleegkundige diagnose (zorgverlener)

Titel module
Doel
Leerdoelen
Klinisch redeneren en EBPIn deze module leert de student klinisch redeneren binnen het verpleegkundig proces en op basis daarvan passende keuzes te maken in de zorg. Daarnaast maakt de student kennis met Evidence Based Practice en leert de student zorg te onderbouwen met betrouwbare bronnen, professionele expertise en de wensen van de zorgvrager.
  • Je leert het begrip klinisch redeneren uitleggen en de toepassing beschrijven binnen het verpleegkundig proces (gegevens verzamelen, probleem herkennen, doelen bepalen, interventies kiezen, uitvoeren, evalueren).
  • Je leert systematisch gegevens verzamelen over somatische, psychische, sociale en functionele aspecten. -redeneren over mogelijke oorzaken en gevolgen van geobserveerde problemen en risico’s bij de zorgvrager.
  • Je leert op basis van klinisch redeneren passende acties voorstellen of uitvoeren en daarbij prioriteiten stellen.

EBP

  • Je leert uitleggen wat Evidence Based Practice (EBP) is en welke bronnen (wetenschappelijke kennis, professionele expertise, voorkeuren van de zorgvrager) worden gecombineerd.
  • Je leert een eenvoudige PICO-vraag formuleren op basis van een praktijksituatie (Patiënt, Interventie, Comparison, Outcome). -betrouwbare informatiebronnen herkennen (bijv. richtlijnen, protocollen, samenvattingen) en deze gebruiken bij het onderbouwen van zorg.
  • Je leert onderbouwen en kritisch nadenken over waarom bepaalde zorg op een bepaalde manier wordt gegeven en of dat nog passend is.
AnamneseIn deze module leert de student een verpleegkundige anamnese afnemen en systematisch gegevens verzamelen over lichamelijke, psychische en sociale aspecten van de zorgvrager. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in communicatie, signalering van risico’s en het gestructureerd vastleggen van gegevens, met aandacht voor diversiteit en mogelijke acute situaties.
  • Je leert uitleggen wat een verpleegkundige anamnese is en het doel binnen het verpleegkundig proces beschrijven.
  • Je leert systematisch gegevens verzamelen over lichamelijke, psychische en sociale domeinen.
    Hierin komt o.a aan bod:
  • Redeneerhulpen zoals pijnscorelijsten en wondscorelijsten, risicosignalering
  • Open en gesloten vragen gebruiken en doorvragen om een volledig beeld te krijgen.
  • Rekening houden met cultuur, taal en cognitieve beperkingen.
  • Gegevens gestructureerd vastleggen in het dossier. –
  • Alarmsymptomen herkennen die wijzen op acute situaties
Verzorgend redenerenIn deze module leert de student op niveau 3 (verzorgende) zorgindicaties begrijpen en toepassen in het dagelijks handelen. De student leert een zorgplan lezen, uitvoeren en bijstellen, en maakt gebruik van redeneerhulpen en risicosignalering om passende en verantwoorde zorg te bieden.

Leerdoelen:

  • Zorgindicaties en indicatiestelling
  • Zorgplan lezen, uitvoeren en bijstellen
  • Redeneerhulpen zoals pijnscorelijsten en wondscorelijsten
  • Risicosignalering

Verdieping: Alarmsymptomen herkennen die wijzen op acute situaties en beslisingen nemen.

Verpleegkundige diagnose en PESIn deze module leert de student verpleegkundige diagnoses formuleren met behulp van de PES-structuur (probleem, etiologie en symptomen). Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het analyseren van zorgsituaties om het kernprobleem, de oorzaken en de bijbehorende symptomen helder in kaart te brengen.
  • Je kunt de onderdelen van de PES-structuur (Probleem, Etiologie, Symptomen) uitleggen.
  • Je kunt een verpleegkundige diagnose formuleren volgens de PES-structuur.
  • Je kunt het kernprobleem, oorzaken en symptomen analyseren in een casus. 
Alarmsymptomen en redeneerhulpenIn deze module leert de student werken met klinische redeneerhulpen om situaties systematisch te beoordelen en de urgentie van zorgvragen in te schatten. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het herkennen van alarmsymptomen en het gestructureerd communiceren, bijvoorbeeld met SBARR, in acute en complexe situaties.
  • Je kunt uitleggen wat klinische redeneerhulpen zijn. Voorbeelden van redeneerhulpen:ABCDE, EWS/MEWS/PEWS, AVPU, VALTIS, AMPLE/AMVIL, SBARR, RSVP.
  • Je kunt deze allemaal beschrijven en oefenen in casuïstiek.
  • Je kunt redeneerhulpen gebruiken bij het bepalen van urgentie.
  • Je kunt gestructureerd communiceren met SBARR.
  • Alarmsymptomen herkennen die wijzen op acute situaties 

B1-K1-W1 Inventariseert de behoefte aan zorg en/of ondersteuning (zorgverlener, gezondheidsbevorderaar)

P2-K1-W1 Stelt een verpleegkundige diagnose (zorgverlener)

P2-K1-W3 Coördineert en optimaliseert de zorgverlening (professional en EBP-professional)

Titel module
Doel
Leerdoelen
Verdieping
Visie op gezondheid en zorgIn deze module leert de student gezondheid breed te benaderen en zorg te verlenen vanuit waarden zoals autonomie, eigen regie en kwaliteit van leven, met aandacht voor persoonsgerichte zorg. Daarnaast ontwikkelt de student inzicht in ontwikkelings- en levensfasen en leert de student de zorg en communicatie af te stemmen op de behoeften en mogelijkheden van de zorgvrager.
  • Je leert het verschil uitleggen tussen een ziektegerichte en een brede kijk op gezondheid (zoals Positieve Gezondheid).
  • Je leert benoemen welke waarden (zoals autonomie, eigen regie, kwaliteit van leven, veiligheid) richtinggevend zijn in de zorgverlening.
  • Je leert toelichten wat persoonsgerichte zorg inhoudt en dit vertalen naar concreet gedrag in de omgang met zorgvragers en naasten.
  • Je leert uitleggen hoe eigen normen en waarden invloed hebben op de zorg.
    Ontwikkelingsfasen en levensfasen
  • Je leert de belangrijkste ontwikkelingsfasen (baby, kind, jongere, volwassene, oudere) benoemen en kenmerken per fase beschrijven.
  • Je leert aangeven welke zorg- en begeleidingsbehoeften passen bij de betreffende levensfase.
  • Je leert uitleggen hoe lichamelijke, psychische en sociale ontwikkeling elkaar beïnvloeden in verschillende levensfasen.
  • Je leert signalen herkennen die wijzen op een verstoorde ontwikkeling of kwetsbaarheid in een bepaalde levensfase.
  • Je leert communicatie en benadering aanpassen aan leeftijd, ontwikkelingsniveau en draagkracht van de zorgvrager.
 
ZelfzorgvaardighedenIn deze module leert de student het zelfzorgvermogen van de zorgvrager vast te stellen en op basis daarvan de zorg planmatig af te stemmen en te organiseren, met aandacht voor waardigheid en eigen regie. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van veranderingen, het formuleren van doelen en het vastleggen en bijstellen van zorg rondom zelfzorg.
  • Je leert vaststellen in hoeverre een zorgvrager zelfzorgactiviteiten (zoals wassen, aankleden, eten, medicatie innemen) zelfstandig kan uitvoeren, met behulp van meetinstrumenten zoals Barthel of Katz-ADL.
  • Je leert passende ondersteuning bieden bij ADL-activiteiten, met aandacht voor waardigheid, privacy en eigen regie.
  • Je leert de zorgvrager motiveren en begeleiden om (delen van) zelfzorg weer zelf op te pakken of te behouden. – veranderingen in het zelfzorgvermogen tijdig signaleren en helder rapporteren in het dossier.
  • Je leert samen met de zorgvrager doelen formuleren om het zelfzorgvermogen te behouden of te verbeteren (m.b.v. zorgtechnologie).

Verdieping niveau 4:

De mbo-verpleegkundige heeft meer verantwoordelijkheid voor het analyseren van oorzaken van verminderd zelfzorgvermogen, het (mede)opstellen van zorgplannen en het coachen van collega’s hierin; de Verzorgende-IG voert vooral de afgesproken ondersteuning uit en signaleert veranderingen.

Vroegsignalering en risicosignaleringIn deze module leert de student het belang van vroegsignalering voor het voorkomen van complicaties en crisissituaties en het tijdig herkennen van signalen van achteruitgang bij zorgvragers. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van risicofactoren en het inzetten van observatie- en signaleringsinstrumenten binnen de kwaliteitscyclus.
  • Je leert waarom vroegsignalering belangrijk is voor het voorkomen van complicaties en crisissituaties. C64 -vroege signalen van achteruitgang (somatisch, psychisch en sociaal) bij zorgvragers herkennen in het dagelijks contact.
  • Je leert risicofactoren voor veelvoorkomende problemen (bijv. ondervoeding, decubitus, valincidenten, eenzaamheid) herkennen en proactief oppakken.
  • Je leert veelgebruikte observatie- en signaleringsinstrumenten (bijv. meetinstrumenten, scorelijsten) en hun toepassing in de kwaliteitscyclus.

Verdieping niveau 4:

De mbo-verpleegkundige gebruikt vroegsignalering expliciet als onderdeel van klinisch redeneren en besluitvorming (bijv. inschatten urgentie, interventie bepalen); de Verzorgende-IG focust op het herkennen, vastleggen en doorgeven van signalen.

Preventie en ValpreventieIn deze module leert de student preventie toe te passen in de zorgpraktijk, met aandacht voor het voorkomen van gezondheidsproblemen en risico’s zoals vallen. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren, rapporteren en bespreken van incidenten en het uitvoeren van passende preventieve maatregelen, afgestemd op de zorgvrager en de situatie.
  • Je leert het verschil uitleggen tussen primaire, secundaire en tertiaire preventie en hiervan voorbeelden geven uit de eigen praktijk.
  • Je leert in het dagelijks contact met zorgvragers preventieve maatregelen toepassen volgens protocollen en richtlijnen.
  • Je leert signalen en preventieve acties rapporteren en hierover communiceren in het team.
    Valpreventie 
  • Je leert risicofactoren voor vallen bij verschillende doelgroepen benoemen (bijv. ouderen, mensen met cognitieve beperkingen, medicatiegebruik).
  • Je leert een zorgvrager observeren op valrisico en hierbij gebruik maken van een valrisicotool.
  • Je leert maatregelen toepassen die het valrisico verminderen (bijv. juiste schoenen, adequate verlichting, hulpmiddelen correct gebruiken).
  • Je leert zorgvragers en naasten voorlichten over veilig bewegen en het voorkomen van vallen, passend bij hun situatie.
  • Je leert na een valincident de situatie beschrijven, rapporteren en meewerken aan evaluatie en vervolgacties voorbeeld van MIC

Verdieping niveau 4:

De mbo-verpleegkundige richt zich sterker op het analyseren van patronen (bijvoorbeeld in incidentmeldingen), het doen van verbetervoorstellen en het bijdragen aan preventiebeleid; de Verzorgende-IG richt zich vooral op het uitvoeren van preventieve maatregelen en het signaleren van risico’s.

Methodisch werken – verpleegkundig procesIn deze module leert de student methodisch werken binnen het verpleegkundig proces en de samenhang met klinisch redeneren, met als doel veilige en kwalitatieve zorg te bieden. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in systematisch observeren, het interpreteren van gegevens en het formuleren van passende doelen die aansluiten bij de zorgvrager.
  • Je leert de fasen van het verpleegkundig proces benoemen (anamnese, diagnose, doelen, interventies, uitvoering, evaluatie).
  • Je leert uitleggen wat de samenhang is tussen methodisch werken en klinisch redeneren.
  • Je leert uitleggen waarom methodisch werken belangrijk is voor kwaliteit, veiligheid en continuïteit van zorg.
  • Je leert aangeven in welke fase van het verpleegkundig proces een zorgvrager zich bevindt en welke acties daarbij horen. 
    Observatiemethodieken
  • Je leert het belang van systematische observatie uitleggen als onderdeel van methodisch werken en klinisch redeneren.
  • Je leert onderscheid maken tussen objectieve en subjectieve gegevens en deze correct vastleggen.
  • Je leert meest voorkomende observatie-instrumenten beschrijven (bijv. Braden, DOS, valrisicotool) en de uitkomsten interpreteren binnen de eigen rol
  • Je leert doelen formuleren – uitleggen waar SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdsgebonden) en RUMBA (bijv. Relevant, Uitvoerbaar, Meetbaar, Begrijpelijk, Acceptabel) voor staan. – SMART- of RUMBA-doelen formuleren die aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de zorgvrager.

Verdieping niveau 4:

De mbo-verpleegkundige heeft een centrale rol in het regisseren van het volledige verpleegkundig proces; de Verzorgende-IG werkt methodisch binnen het eigen takenpakket en levert gegevens voor de verschillende fasen.

Individueel zorgplan in branchesIn deze module leert de student wat een individueel zorgplan inhoudt en hoe dit wordt opgebouwd en toegepast binnen verschillende zorgsettings. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om actief bij te dragen aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het zorgplan in samenwerking met de zorgvrager en naasten.
  • Je leert uitleggen wat een individueel zorgplan/zorgleefplan is en welke onderdelen daarin minimaal aan bod komen (diagnoses/problemen, doelen, interventies, evaluatie). 
  • Je leert beschrijven hoe het zorgplan verschilt per branche (bijv. VVT, GHZ, GGZ, ziekenhuis) qua focus, taal en betrokken disciplines.
  • Je leert actief bijdragen aan het opstellen of bijstellen van een individueel zorgplan, aansluitend bij behoeften en doelen van de cliënt en zijn/haar netwerk.
  • Je leert samen met de cliënt en naasten evalueren of doelen behaald zijn en input geven voor aanpassing van het zorgplan.

Verdieping niveau 4:

De mbo-verpleegkundige heeft een centrale rol in het coördineren, (her)formuleren en evalueren van zorgplannen; de Verzorgende-IG richt zich vooral op uitvoering volgens zorgplan, let op dit kan per branche verschillen!

RapporterenIn deze module leert de student het belang van duidelijke, objectieve en tijdige rapportage voor de kwaliteit en continuïteit van zorg. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het gestructureerd en feitelijk rapporteren, met aandacht voor juridische en ethische richtlijnen zoals privacy en inzagerecht.
  • Je leert het belang van duidelijke, objectieve en tijdige rapportage uitleggen in relatie tot kwaliteit en continuïteit van zorg.
  • Je leert volgens een afgesproken structuur rapporteren (SOAP/SOEP, kernachtig beschrijven van wat is geobserveerd, gedaan en afgesproken).
  • Je leert onderscheid maken tussen feiten, interpretaties en meningen, en rapporteert zoveel mogelijk feitelijk en controleerbaar.
  • Je leert aangeven welke juridische en ethische aspecten gelden bij rapporteren (bijv. privacy, inzagerecht, bewaarplicht) volgens actuele wetgeving en richtlijnen landelijk en van de branche.
 

B1-K2-W1 Stemt af met formele zorgverleners (samenwerkingspartner, organisator)
B1-K2-W2 Werkt samen met andere zorgprofessionals (samenwerkingspartner, organisator)

Titel moduleDoelLeerdoelenVerschil VIG en VP 
Samenwerken met andere zorgprofessionals In deze module leert de student hoe samenwerking in de zorg is georganiseerd en welke rollen en taken verschillende zorgverleners hebben binnen de keten. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om bij te dragen aan gezamenlijke besluitvorming en het afstemmen van zorg met andere disciplines en organisaties.

Je leert:

  • rollen en taken van andere zorgverleners beschrijven en beschrijven hoe samenwerken binnen de keten is georganiseerd.
  • een bijdrage leveren aan gezamenlijke besluitvorming in de zorg rondom de cliënt.
  • samenwerking organiseren met andere organisaties of disciplines om de zorg af te stemmen.
VIG: herkent de rollen van andere professionals, werkt samen volgens bestaande afspraken, stemt basisinformatie af in overleg.
VP: neemt initiatief in het organiseren van samenwerking, bespreekt inhoudelijke keuzes met andere zorgverleners, en neemt deel aan gezamenlijke besluitvorming over het zorgplan van de cliënt. 
Samenwerken met informele zorgverleners In deze module leert de student zorg af te stemmen met zorgvragers en informele zorgverleners, met aandacht voor samenwerking en onderlinge afstemming. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van overbelasting, het zorgvuldig vastleggen van informatie en het verantwoord gebruiken van hulpmiddelen, met respect voor alle betrokkenen.Je leert:
  • consequent en tijdig afstemmen met zorgvragers en informele zorgverleners om zorgactiviteiten op elkaar te laten aansluiten.
  • signalen van lichamelijke of mentale overbelasting bij zorgvragers en mantelzorgers herkennen en deze tijdig bespreken met betrokkenen.
  • afspraken, observaties en zorginterventies zorgvuldig vastleggen en gemaakte keuzes onderbouwen.
  • zorg- en technologische hulpmiddelen adequaat en veilig gebruiken.
  • respectvol en waarderend omgaan met informele zorgverleners en discreet omgaan met vertrouwelijke informatie
 
Intake, overdracht en ontslag In deze module leert de student hoe zorgprocessen rondom opname, overplaatsing en ontslag verlopen en welke rol de zorgprofessional daarin heeft. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het verzamelen van informatie en het zorgvuldig overdragen van zorg en begeleiding.Je leert:
  • relevante informatie verzamelen bij een intakegesprek met een zorgvrager.
  • zorg en begeleiding overdragen bij overplaatsing of ontslag.
  • de belangrijkste stappen te beschrijven die horen bij een opname, overplaatsing of ontslag en jouw rol daarbij 
VIG: ondersteunt bij de intake, voert overdracht uit volgens instructie en draagt informatie over aan collega’s of disciplines;

VP: voert zelfstandig een intake uit, coördineert de overdracht of het ontslag, en stemt af met andere disciplines over de juiste timing en inhoud van de overdracht. 
Financiering van de zorg In deze module leert de student hoe de zorg in Nederland is georganiseerd en gefinancierd vanuit verschillende wetten en regelingen. Daarnaast krijgt de student inzicht in zorgzwaarte, indicatiestelling en de invloed hiervan op de zorgverlening.

Je leert:

  • verschillende wetten en regelingen (WLZ, ZVW, WMO) benoemen die van invloed zijn op de bekostiging van de zorg.
  • uitleggen wat zorgzwaartepakketten zijn en hoe ze de zorg bepalen.
  • uitleggen hoe het proces van indicatiestelling plaatsvindt en welke rol dat heeft in de zorgverlening. 
Bekostiging zorg, zorgzwaartepakketten, zorgindicaties en wet en regelgeving financiering zorg

VIG: herkent welke financieringsvorm van toepassing is op de zorgvrager, en handelt conform de gemaakte afspraken binnen het team;

VP: heeft inzicht in de invloed van financiering op de zorgverlening, houdt hier rekening mee bij het opstellen of aanpassen van het zorgplan, en stemt af met het team of externe indicatiestellers. 
Sociale kaart en ketenzorg In deze module leert de student werken met de sociale kaart om passende zorg en ondersteuning te organiseren voor de zorgvrager. Daarnaast ontwikkelt de student inzicht in ketenzorg en de samenwerking tussen verschillende organisaties en disciplines.Je leert:
  • beschrijven wat een sociale kaart is en waarvoor je die gebruikt in de praktijk.
  • passende organisaties, instanties en professionals zoeken en inschakelen op basis van de zorgvraag van een cliënt.
  • uitleggen hoe ketenzorg is georganiseerd en de rol van VIG of VP daarin. 
VIG: weet waar je informatie kunt vinden en wanneer je een andere partij inschakelt, voert zelf geen regie.

VP: coördineert actief, neemt initiatief om ketenpartners te betrekken bij het zorgplan en stemt inhoudelijk af met andere zorgverleners. 
Informatieoverdracht In deze module leert de student informatie zorgvuldig vast te leggen en over te dragen binnen en tussen zorgorganisaties. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het afstemmen van zorg en het actueel houden van het zorgplan, met oog voor verschillende belangen en contexten.Je leert:
  • relevante informatie vastleggen in het zorgdossier en overdragen en afstemmen met collega’s en andere disciplines, ook binnen branches en transmuraal, binnen de keten.
  • het verschil te duiden tussen overdracht in het team en overdracht naar externe zorgverleners en rekening houden met wederzijdse en tegengestelde belangen, systemen en afspraken, handelend vanuit belang van zorgvrager.
  • het zorgplan regelmatig bijwerken en up to date houden.
VIG: richt zich vooral op dagelijkse rapportage en overdracht naar collega’s binnen het team. (minimaal)

VP: richt zich ook op overdracht naar externe zorgverleners (zoals huisarts of fysiotherapeut), inclusief voorbereiding van overdrachtsmomenten (bijv. ontslag of opname). (kern van deze module), gaat ook over informatie aanpassen aan doelgroep en doel, discreet omgaan met informatie en proactief informatie delen

Dit kan gaan over informatieoverdracht bij overplaatsing, overleg over wondzorg of doorverwijzing, afstemming over therapie, doorvertalen van instructies (van andere zorgverleners) naar de dagelijkse zorgverlening en inzet technologische hulpmiddelen.  
Samenwerken en afstemmen van zorg In deze module leert de student hoe rollen en verantwoordelijkheden binnen een team en met andere professionals zijn verdeeld. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren en bespreken van knelpunten en het bewust innemen van de eigen rol in samenwerking.Je leert:
  • uitleggen hoe rollen en taken verdeeld zijn in het team en in overleg met andere professionals.
  • signalen of knelpunten in de zorg af te stemmen met collega’s of andere disciplines.
  • jouw eigen rol in teamoverleg en afstemmomenten bewust in te nemen. 
VIG: werkt samen volgens afspraken, signaleert en stemt af wanneer nodig.

VP: neemt actief deel aan zorgafstemming, denkt mee in oplossingen en neemt regie in het coördineren van zorg. 
MDO en interdisciplinair overleg In deze module leert de student hoe multidisciplinair overleg is opgebouwd en wat het doel hiervan is binnen de zorg. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het voorbereiden van eigen inbreng en het bijdragen aan gezamenlijke besluitvorming met andere zorgprofessionals.Je leert:
  • de doelen en werkwijze van een MDO of interdisciplinair overleg beschrijven.
  • je eigen inbreng voorbereiden op basis van observaties en rapportages.
  • bijdragen aan besluitvorming in overleg met andere zorgprofessionals. 
VIG: is soms aanwezig bij MDO ter informatie, levert input via overdracht of observatie.

VP: is actief deelnemer aan MDO, brengt observaties in, denkt mee in besluiten en bewaakt de uitvoering ervan. 
Titel module
Doel
Leerdoelen
 
Zelfmanagement en eigen regieIn deze module leert de student de zelfredzaamheid en eigen regie van de zorgvrager in de praktijk te ondersteunen en te versterken tijdens de uitvoering van zorg. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van veranderingen en knelpunten in het dagelijks functioneren en het terugkoppelen hiervan om de ondersteuning waar nodig bij te stellen.
  • Je leert vaststellen in welke mate een zorgvrager zelfredzaam is en eigen regie kan voeren en welke factoren daarbij een rol spelen.
  • Je leert met de zorgvrager en naasten bespreken welke keuzes hij of zij zelf kan en wil maken.
  • Je leert de zorgvrager ondersteunen bij het behouden of vergroten van eigen regie, met oog voor mogelijkheden en beperkingen.
  • Je leert samen met formele en informele zorgverleners afstemmen welke ondersteuning nodig is om zelfredzaamheid te behouden of te bevorderen.
Onderwerp: autonomie en zelfmanagement Verschil VIG en VP VIG en VP hebben beide de taak om zelfredzaamheid en eigen regie te ondersteunen. De VIG richt zich vooral op het dagelijks stimuleren en ondersteunen, de VP neemt bij complexe situaties vaker initiatief in het coördineren met andere disciplines en het zorgplan.
Regie bij wonen en administratieIn deze module leert de student in kaart te brengen welke praktische taken de zorgvrager zelfstandig kan uitvoeren en waar ondersteuning nodig is. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van hulpvragen en het samenwerken met mantelzorgers en andere betrokkenen.
  • Je leert in kaart brengen welke taken in huishouden en administratie de zorgvrager zelf kan uitvoeren en waar ondersteuning nodig is.
  • Je leert signaleren wanneer ondersteuning nodig is en dit bespreken met zorgvrager en naasten en hulp in te schakelen.
  • Je leert samenwerken met mantelzorgers en andere betrokkenen om praktische ondersteuning goed af te stemmen
Beide rollen dragen bij aan het ondersteunen van de zorgvrager bij huishouden en administratie. De VIG voert vooral praktische taken uit en stimuleert de zorgvrager om mee te doen, terwijl de VP daarnaast vaker afspraken maakt met andere disciplines of instanties en de coördinatie bewaakt.
Sociaal netwerkIn deze module leert de student het sociale netwerk van de zorgvrager te versterken en te ondersteunen bij het onderhouden van betekenisvolle relaties. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het stimuleren van contact en het vinden van passende activiteiten.
  • Je leert de zorgvrager actief ondersteunen bij het onderhouden en versterken van betekenisvolle relaties, bijv. door stimuleren van contact,
  • Je leert bemiddelen in communicatie of het zoeken naar passende activiteiten.
  • Je leert samen met informele zorgverleners mogelijkheden verkennen het netwerk te vergroten of beter te benutten.
Verschil VIG en VP (algemeen): VIG en VP hebben beide de taak om het sociaal netwerk te benutten voor de kwaliteit van leven van de zorgvrager. De VIG richt zich vooral op signaleren en stimuleren in de dagelijkse praktijk, terwijl de VP bij complexe situaties vaker de coördinatie en afstemming met andere disciplines, instanties of het zorgplan op zich neemt.
Dagbesteding en activiteitenIn deze module leert de student samen met de zorgvrager passende dagbesteding en structuur te organiseren. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van achteruitgang en het begeleiden van de zorgvrager bij het behouden van een zinvolle invulling van de dag.
  • Je leert samen met de zorgvrager vaststellen welke activiteiten en dagstructuur aansluiten bij zijn of haar wensen en mogelijkheden.
  • Je leert signaleren wanneer gebrek aan activiteiten leidt tot lichamelijke of psychische achteruitgang.
  • Je leert de zorgvrager stimuleren en begeleiden bij het uitvoeren van zinvolle dagbesteding en activiteiten en behouden van dagstructuur.
  • Je leert samenwerken met informele zorgverleners om activiteiten af te stemmen en te evalueren.
De VIG richt zich vooral op het ondersteunen en begeleiden bij de dagelijkse activiteiten. De VP bewaakt daarnaast het grotere geheel: het aansluiten bij doelen in het zorgplan en afstemmen met andere disciplines.
Veiligheid (bij persoonlijke verzorging)In deze module leert de student risico’s in de leefomgeving te signaleren en te bespreken met de zorgvrager en naasten. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het voorkomen, rapporteren en evalueren van incidenten, met behoud van eigen regie.
  • Je leert risico’s in de leefomgeving van de zorgvrager signaleren (zoals valgevaar, brandgevaar, medicatiefouten, juiste hulpmiddelen).
  • Je leert met de zorgvrager en naasten bespreken hoe de veiligheid behouden kan blijven, zonder de eigen regie onnodig te beperken.
  • Je leert incidenten en (bijna-)incidenten signaleren, rapporteren en methodisch evalueren.
De VIG draagt bij door alert te zijn op risico’s en direct in te grijpen in de dagelijkse praktijk. De VP neemt daarnaast vaker de coördinerende rol op zich, bijvoorbeeld bij structurele veiligheidsrisico’s of overleg met andere disciplines.
Vocht en voedingIn deze module leert de student de voedings- en vochtbehoefte van de zorgvrager vast te stellen en hier passende ondersteuning bij te bieden. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van problemen en het samenwerken met andere professionals rondom voeding en gezondheid.
  • Je leert de vocht- en voedingsbehoefte van een zorgvrager observeren en vaststellen in relatie tot gezondheidstoestand.
  • Je leert signaleren van problemen zoals ondervoeding, dehydratie of slikproblemen en dit tijdig rapporteren.
  • Je leert de zorgvrager ondersteunen bij het maken van gezonde keuzes en waar nodig ondersteunen met hulpmiddelen of adviezen.
  • Je leert samenwerken met naasten en andere professionals, zoals diëtist of logopedist, bij voedings- en slikproblemen. Je leert voeding afstemmen op de ziekte van de zorgvrager.
De VIG voert dagelijks observaties en ondersteuning uit, de VP coördineert vaker bij complexe voedingsproblemen en stemt af met disciplines
Bedverzorging en complicatiesIn deze module leert de student zorg te verlenen aan bedlegerige zorgvragers, met aandacht voor comfort, privacy en preventie van complicaties. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren, rapporteren en afstemmen van zorg met andere professionals.
  • Je leert bedverzorging uitvoeren volgens protocol, met aandacht voor wensen, privacy, comfort en passende hulpmiddelen van de zorgvrager.
  • Je leert risicofactoren voor complicaties bij bedlegerigheid signaleren (zoals decubitus, contracturen of longproblemen)
  • Je leert preventieve maatregelen toepassen zoals wisselhouding, mobiliseren of gebruik van hulpmiddelen.
  • Je leert signaleren en rapporteren van complicaties en afstemmen en coördineren met andere professionals.
  • Je leert samen met de zorgvrager en naasten uitleggen en afstemmen welke maatregelen worden ingezet om complicaties te voorkomen.
De VIG voert de preventieve en verzorgende handelingen uit. De VP coördineert, monitort het geheel en stemt af met disciplines bij ernstige of complexe complicaties.
Sociale media, digitale veiligheid en privacywetgevingIn deze module leert de student verantwoord omgaan met sociale media, digitale gegevens en technologie binnen de zorgpraktijk. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden om deze onderwerpen begrijpelijk uit te leggen aan zorgvragers en naasten, met aandacht voor privacy, veiligheid, wet- en regelgeving en ethische vraagstukken.
  • Je leert mogelijkheden en risico’s van sociale media en internet uitleggen.
  • Je leert de mogelijkheden en beperkingen van AI in de zorg uitleggen, met aandacht voor de ondersteunende rol van AI bij taken zoals administratie en signalering.
  • Je leert mediawijs en professioneel omgaan met onlinecommunicatie, rekening houdend met omgangsvormen.
  • Je leert privacy en beroepsgeheim respecteren bij gebruik van sociale media.
  • Je leert ethische dilemma’s herkennen bij de inzet van sociale media en hierover een mening vormen.
  • Je leert digitale gegevens veilig beheren volgens de regels en wetgeving (zoals AVG, Wkkgz, WGBO, Wzd).
  • Je leert privacy van de zorgvrager beschermen bij rapporteren, communiceren en delen van gegevens.
  • Je leert uitleggen hoe actuele wet- en regelgeving van toepassing is in het dagelijks werk.
  • Je leert veilig omgaan met wachtwoorden, systemen en apparaten in de zorgpraktijk.
 
Technologische hulpmiddelen: e-health en domoticaIn deze module leert de student e-health en domotica toe te passen in de zorg, afgestemd op de behoeften van de zorgvrager. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het begeleiden van gebruik en het beoordelen van mogelijkheden en beperkingen van digitale hulpmiddelen.
  • Je leert uitleggen welke vormen van e-health en domotica er zijn en hoe je deze passend bij de situatie van de zorgvrager kunt inzetten.
  • Je leert de zorgvrager voorlichten en ondersteunen bij het gebruik van e-health of domotica, afgestemd op de mogelijkheden en wensen van de zorgvrager.
  • Je leert de mogelijkheden en beperkingen van e-health en domotica beoordelen, met aandacht voor veiligheid, privacy, ethiek
  • Je leert samenwerken met formele en informele zorgverleners om digitale hulpmiddelen doelgericht, veilig en passend bij de zorgvrager te gebruiken in de zorg.
 
Palliatieve zorgIn deze module leert de student palliatieve zorg verlenen, afgestemd op de behoeften van de zorgvrager in de laatste levensfase. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het signaleren van veranderingen, symptoombestrijding en het afstemmen van zorg met betrokkenen.
  • Je leert vaststellen wanneer een zorgvrager in de palliatieve fase komt en dit methodisch bespreekbaar maken.
  • Je leert de begrippen die horen bij palliatieve zorg.
  • Je leert zorg verlenen die aansluit bij lichamelijke, psychische, sociale en spirituele behoeften.
  • Je leert veranderingen in de situatie van de zorgvrager systematisch signaleren, rapporteren en in overleg zorg afstemmen en bijstellen.
  • Je leert veelvoorkomende symptomen in de laatste levensfase herkennen, zoals pijn, benauwdheid of onrust.
  • Je leert passende zorg en comfortmaatregelen toepassen om klachten te verlichten en pijn waar nodig te voorkomen
  • Je leert signaleren wanneer klachten onvoldoende onder controle zijn en dit tijdig rapporteren.
  • Je leert in overleg met zorgvrager, informele en formele zorgverleners zoeken naar passende oplossingen voor symptoombestrijding.
Verschil VIG en VP (algemeen): De VIG observeert en signaleert, de VP heeft daarnaast een coördinerende rol bij palliatieve zorg en stemt af met arts of palliatief team. Hier ook abstineren, palliatieve sedatie en euthanasie aan bod laten komen bij leerdoel 2 Ook aandacht voor: de begrippen klinische dood, hersendood, orgaandonatie en weefseldonatie opnemen?
Sterven en doodIn deze module leert de student zorg te verlenen in de stervensfase en rondom het overlijden van de zorgvrager. Daarnaast ontwikkelt de student vaardigheden in het bieden van ondersteuning aan naasten en het zorgvuldig omgaan met het lichaam en het rouwproces.
  • Je leert herkennen van signalen die duiden op het naderend overlijden
  • Je leert de zorgvrager en naasten ondersteunen in deze fase met aandacht voor lichamelijk comfort en emotionele begeleiding
  • Je leert zorgvuldig rapporteren, afstemmen en overdragen rondom het stervensproces
  • Je leert na het overlijden van de zorgvrager zorgdragen voor een respectvolle omgang met het lichaam en het begeleiden van naasten in de eerste momenten van rouw.
De VIG begeleidt in de dagelijkse zorg rond sterven en overlijden. De VP heeft daarnaast vaker contact met artsen en andere disciplines, en coördineert het proces rondom de afronding van zorg.

Titel module

Doel

Leerdoelen

Introductie communicatie In deze module leer je stap voor stap hoe communicatie werkt. Je ontdekt hoe woorden, lichaamshouding en emoties samen een gesprek maken. Ook krijg je tips om duidelijker te spreken, beter te luisteren en het sneller op te merken wanneer er iets niet klopt. De module bevat voorbeelden uit de praktijk en korte oefenopdrachten. Zo krijg je meer rust, aandacht en vertrouwen in je communicatie met zorgvragers en collega’s.
  • Je leert wat communicatie inhoudt en waarom het belangrijk is. Wat het verschil is tussen verbaal en non-verbale communicatie.
  • Je leert dat tijdens de communicatie niet alles zichtbaar is.
  • Je leert hoe je kunt zorgen voor een goede eerste indruk.
  • Je leert hoe je communicatie aanpast aan wie je voor je hebt
  • Je leert welke gesprekstechnieken je kunt toepassen voor betere communicatie.
Miscommunicatie In deze module leer je wat miscommunicatie is en hoe je het herkent, voorkomt en oplost. Miscommunicatie kan frustratie en fouten veroorzaken, wat de zorg voor de zorgvrager beïnvloedt. Je ontdekt wat miscommunicatie is, hoe je het kunt herkennen en welke handige tools je kunt gebruiken voor duidelijke en effectieve communicatie.
  • Je leert waarom miscommunicatie in de zorg grote problemen kan veroorzaken.
  • Je leert wat de belangrijkste oorzaken van miscommunicatie zijn.
  • Je leert hoe je miscommunicatie kunt voorkomen.
  • Je leert hoe je signalen van miscommunicatie herkent
  • Je leert hoe je misverstanden oplost en herstelt
Omgaan met emotionele zorgvragers In deze module leer je hoe je omgaat met zorgvragers die boos, bang, verdrietig of gefrustreerd zijn. Je ontdekt wat emoties met mensen doen, hoe je ze herkent en hoe je er rustig op kunt reageren. Je krijgt praktische tips om spanning te verminderen en contact te houden, ook in moeilijke situaties. De module bevat herkenbare voorbeelden en korte oefenopdrachten. Zo leer je stap voor stap om kalm en duidelijk te blijven in gesprekken met emotionele zorgvragers.
  • Je leert hoe je emoties herkent, erkent, benoemt en bespreekt.
  • Je leert hoe je het ijsbergmodel gebruikt om emoties te begrijpen.
  • Je leert hoe je het LSD-model gebruikt om emoties te bespreken.
  • Je leert hoe je de escalatieladder gebruikt om een situatie te de-escaleren.
  • Je leert hoe je het STOP-model gebruikt om jouw grenzen op een professionele manier aan te geven.
Gesprekken voeren In deze module leer je hoe je verschillende gesprekken voert in de zorg. Je ontdekt welke gespreksvormen er zijn en wanneer je ze het beste kunt gebruiken. Ook krijg je tips om je mening duidelijk en respectvol te verwoorden, goed te luisteren naar de ander en samen tot oplossingen te komen. De module bevat herkenbare praktijkvoorbeelden en korte opdrachten. Zo krijg je meer vertrouwen, rust en vaardigheid in gesprekken met zorgvragers en collega’s.
  • Je leert hoe je gesprekken voert met zorgvragers en en hun naasten.
  • Je leert wat slecht nieuws is en waarom het moeilijk is om dit te brengen.
  • Je leert hoe je een gesprek voorbereidt, het nieuws duidelijk brengt, emoties bespreekt en afsluit -met vervolgafspraken.
  • Je leert hoe je reageert op boosheid, angst of verdriet op een empathische manier.
  • Je leert hoe je reflecteert op gesprekken en goed voor jezelf zorgt.
Voorlichting en advies In deze module leer je hoe je als verzorgende of verpleegkundige duidelijke en begrijpelijke voorlichting geeft. Je ontdekt hoe je advies afstemt op wat de zorgvrager nodig heeft en hoe je het beste informatie overbrengt, zodat iemand het ook echt kan opvolgen. Je oefent met praktische tips voor herkenbare situaties, zoals uitleg over medicatie, hulpmiddelen en zelfzorg. De module bevat herkenbare voorbeelden en korte opdrachten. Zo groei je in duidelijkheid, vertrouwen en effectiviteit in jouw communicatie met zorgvragers.
  • Je leert wanneer en waarom je als zorgverlener voorlichting en advies geeft.
  • Je leert hoe je de zes stappen van het Balm-gedragsmodel gebruikt om goede voorlichting te geven.
  • Je leert hoe je jouw uitleg begrijpelijk maakt met eenvoudige taal en hulpmiddelen.
  • Je leert hoe je praktische adviezen geeft over medische handelingen en zelfzorg.
  • Je leert hoe je zorgvragers en hun naasten motiveert om jouw advies op te volgen en vol te houden.
Overleggen en onderhandelen In deze module leer je hoe je goed kunt overleggen en onderhandelen in de zorg. Je ontdekt welke vormen van overleg er zijn, hoe je je mening duidelijk en respectvol kunt delen, en hoe je samen met collega’s en andere betrokkenen tot goede afspraken komt. De module helpt je om lastige gesprekken te voeren, oplossingen te vinden en meningsverschillen te bespreken zonder dat het escaleert. Met herkenbare praktijkvoorbeelden en korte oefenopdrachten krijg je meer vertrouwen en vaardigheid in jouw communicatie op de werkvloer.
  • Je leert welke gespreksvormen er zijn en wanneer je ze gebruikt. 
  • Je leert hoe je jouw mening duidelijk onderbouwt met behulp van de SBAR. 
  • Je leert wanneer je externe expertise moet inschakelen en hoe je verantwoording aflegt. 
  • Je leert hoe je respectvol omgaat met meningsverschillen in het team.
Communicatiemethoden en hulpmiddelen In deze module leer je hoe je verschillende communicatiemethoden en hulpmiddelen inzet om contact te maken met zorgvragers en hen te helpen zich uit te drukken. Je ontdekt wanneer je methoden zoals basale communicatie, totale communicatie of ervaar‑het‑maar toepast. Ook oefen je met visuele hulpmiddelen zoals pictogrammen, planners en gebaren, en met digitale middelen die communicatie kunnen ondersteunen. De module bevat herkenbare praktijkvoorbeelden en korte opdrachten. Zo groei je in vaardigheid, duidelijkheid en effectiviteit in je communicatie met zorgvragers.
  • Je leert wat communicatiemethoden en communicatiehulpmiddelen zijn en waarom je ze gebruikt in de zorg. 
  • Je leert hoe je basale communicatie, totale communicatie en ‘Ervaar het maar’ inzet, afgestemd op wat de zorgvrager nodig heeft en kan. 
  • Je leert hoe visuele en ondersteunende hulpmiddelen, zoals pictogrammen en planners, bijdragen aan begrip, rust en regie. 
  • Je leert wanneer digitale communicatiemiddelen helpend zijn en wanneer juist niet. 
  • Je leert dat samenwerken en duidelijke afspraken maken belangrijk is voor succesvolle communicatie.
Motiverende gespreksvoering In deze module leer je hoe je motiverende gespreksvoering inzet om goed in gesprek te gaan met zorgvragers die willen veranderen of daar onzeker over zijn. Je ontdekt wat deze manier van communiceren inhoudt en wanneer je deze techniek kunt gebruiken. Je oefent met vaardigheden zoals open vragen stellen, reflectief luisteren en ambivalentie verkennen. De module bevat herkenbare praktijkvoorbeelden en korte opdrachten. Zo krijg je meer vertrouwen en vaardigheid in het ondersteunen van zorgvragers bij het versterken van hun eigen motivatie.
  • Je leert wat motiverende gespreksvoering is en wanneer je deze gebruikt in de zorg.
  • Je leert hoe de vier fases van MGV werken en hoe je hier flexibel tussen schakelt. 
  • Je leert hoe je met open vragen, reflectief luisteren en samenvatten motivatie van binnenuit ontlokt. 
  • Je leert hoe je motivatie versterkt en samen vooruitkijkt met kleine stappen, schaalvragen en het 5 R-model. 
  • Je leert hoe je omgaat met twijfel en terugval bij gedragsverandering.

B1-K1-W1 Inventariseert de behoefte aan zorg en/of ondersteuning (zorgverlener, gezondheidsbevorderaar)

B1-K1-W2 Stelt het zorgplan op en/of bij (zorgverlener) Medisch rekenen Plannen van zorg#

B1-K1-W3 Voert zorginterventies en/of begeleidingsactiviteiten uit (zorgverlener)

Titel modules
doel
leerdoelen
Kwaliteit in dementiezorg: Begeleiden van de familieDe verzorging van mensen met dementie kan moeilijk zijn, zeker als je er nog onervaren in bent. Omdat de hersenen niet meer ‘normaal’ functioneren moet je op een andere manier met deze mensen omgaan. In deze e-learningmodule leer je hoe je als verzorgende/verpleegkundige kan reageren in situaties die vaak voorkomen bij het begeleiden van de familie.
  • Je leert je dat je niet alleen dagelijks met de cliënt maar ook met diens familie te maken hebt;
  • Je leert hoe confronterend het voor de familie kan zijn om hun partner, vader of moeder achteruit te zien gaan;
  • Je leert hoe je familieleden het beste kunt benaderen.
Kwaliteit in dementiezorg: Omgaan met onbegrepen gedragDe verzorging van mensen met dementie kan moeilijk zijn, zeker als je er nog onervaren in bent. Omdat de hersenen niet meer ‘normaal’ functioneren moet je op een andere manier met deze mensen omgaan. In deze e-learningmodule leer je hoe je als verzorgende/verpleegkundige kan reageren in situaties die vaak voorkomen in het omgaan met onbegrepen gedrag.
  • Je leert waarom sommige mensen met dementie zich verzetten bij wassen en kleden;
  • Je leert hoe je verzet bij wassen en kleden kunt herkennen;
  • Je leert weet je hoe je met bewoners die zich verzetten bij wassen en kleden om kunt gaan.
Kwaliteit in dementiezorg: Omgaan met stemmingenDe verzorging van mensen met dementie kan moeilijk zijn, zeker als je er nog onervaren in bent. Omdat de hersenen niet meer ‘normaal’ functioneren moet je op een andere manier met deze mensen omgaan. In deze e-learningmodule leer je hoe je als verzorgende/verpleegkundige kan reageren in situaties die vaak voorkomen in het omgaan met verschillende stemmingen van bewoners.
  • Je leert waarom mensen met dementie angstig kunnen zijn;
  • Je leert hoe je angst kunt herkennen;
  • Je leert hoe je met bewoners met angst om kunt gaan.

B1-K1-W1 Inventariseert de behoefte aan zorg en/of ondersteuning (zorgverlener, gezondheidsbevorderaar)

Plannen van zorg#

B1-K1-W2 Stelt het zorgplan op en/of bij (zorgverlener)

Titel module
Doel
Leerdoelen
Basisvaardigheden rekenenWe beginnen met de basisvaardigheden rekenen. Deze module is niet verplicht, maar wel handig als je nog even je kennis wil opfrissen. Weet jij nog hoe je moet afronden en hoe je procenten berekent?
  • Je leert basisrekenvaardigheden toepassen, waaronder afronden en het berekenen van procenten, zodat je voorbereid bent op medische rekenopgaven.
Vaste medicatieHet is essentieel dat je weet hoeveel werkzame stof er in medicatie zit. Geef je te veel of te weinig, dan kan dat gevolgen hebben voor de zorgvrager. De sterkte van medicatie wordt uitgedrukt in verschillende soorten grammen: soms in gram (g) of zelfs in kilogram (kg), en andere keren in milligram (mg) of microgram (µG/mcg). Om de juiste dosis te geven moet je zonder fouten de verschillende eenheden kunnen omrekenen.
  • Je leert de hoeveelheid werkzame stof in vaste medicatie berekenen en eenheden (g, mg, microgram) correct omrekenen, zodat je de juiste dosering kunt bepalen.
Vloeibare medicatieIn deze module leer je hoe je de verschillende berekeningen maakt die je nodig hebt bij het toedienen van vloeibare medicatie. Bij medicatie gaat het meestal om massa in volume, oftewel hoeveel (milli)gram of (I)E er in een vloeistof is opgelost. Je hebt het dan over de ‘concentratie’: hoeveel van een bepaalde stof zit er in een andere stof. In de meeste gevallen wordt dit aangegeven in percentages. Het kan ook zijn dat je moet uitrekenen hoeveel werkzame stof er in een milliliter medicatie zit.
  • Je leert berekeningen uitvoeren met concentraties (zoals mg/ml en percentages) en bepalen hoeveel werkzame stof in een vloeistof aanwezig is, zodat je de juiste hoeveelheid medicatie kunt toedienen.
Infusie/transfusieHoe stel je de juiste druppelsnelheid bij een infusie of transfusie in? Hoe laat is de inhoud ingelopen, zodat je op tijd langs kunt gaan bij de zorgvrager? In deze module wordt uitgelegd hoe je de druppelsnelheid van een infuus uitrekent. Je leert hoe je moet rekenen bij het werken met een volumetrische pomp en een druppelregelaar. Je kunt kleinere hoeveelheden vloeistof ook toedienen door middel van een perfusor. De berekeningen die je hierbij moet maken, komen ook aan de orde in deze module.
  • Je leert de druppelsnelheid en inlooptijd van infusies berekenen en deze toepassen bij het werken met een infuuspomp, druppelregelaar of perfusor.
ZuurstofEen belangrijke taak is het toedienen van zuurstof. Meestal beschik je over de mogelijkheid om zuurstof direct uit de muur te kunnen gebruiken. In deze module gaat het over het gebruik van losse cilinders. Daarbij is het van groot belang dat je kunt berekenen welke hoeveelheid je moet toedienen en op welke stand je de manometer moet zetten, zodat de zorgvrager niet te veel of te weinig zuurstof krijgt. Verder leer je uitrekenen hoeveel liter zuurstof je op voorraad hebt.
  • Je leert berekenen hoeveel zuurstof toegediend moet worden en hoeveel voorraad beschikbaar is in een cilinder, zodat je de juiste instellingen veilig kunt bepalen.
VochtbalansEen veelvoorkomende handeling is het maken van een vochtbalans. Een vochtbalans maak je vrijwel altijd op aan de hand van gegevens van de afgelopen 24 uur (etmaal). Je gaat hierbij na wat er allemaal aan vocht is binnengekomen en wat er is uitgescheiden. Een vochtbalans kan positief, negatief of neutraal zijn.
  • Je leert een vochtbalans over 24 uur opstellen en interpreteren door inname en uitscheiding te berekenen, zodat je kunt bepalen of de balans positief, negatief of neutraal is.
CasuïstiekHeb je voldoende geoefend en ben je klaar om je rekenkennis toe te passen? In deze module kun je aan de slag met zes casussen uit de dagelijkse praktijk. Drie voorbeelden gaan over volwassenen en drie voorbeelden over kinderen. Bij elke casus beantwoord je 10 vragen waarbij je verschillende rekenvaardigheden moet toepassen.
  • Je leert medische rekenvaardigheden geïntegreerd toepassen in praktijksituaties door verschillende typen berekeningen correct uit te voeren binnen casussen.

Waarom kiezen voor BSL Media & Learning

Hoe kunnen wij je helpen?

Stijn Bouwmeester

Leermiddelenadviseur mbo V&V

stijn.bouwmeester@bsl.nl
+31 (0) 6 52 75 21 19

Onze merken

Blijf op de hoogte van ons complete aanbod

je ontvangt ongeveer 4 keer per jaar een nieuwsbrief.